Astrid Schoots - Pentatoniek

Pentatonische muziek klinkt vaak open, zwevend en licht; het kan een gevoel van tijdloosheid geven, met een dromerige en sprookjesachtige stemming, wijds en omhullend tegelijk. Dit heeft te maken met het ontbreken van twee tonen, ten opzichte van de gebruikelijke toonladder. Moderne oren zullen in pentatoniek inderdaad enkele tonen missen, maar eigenlijk moet je het omkeren: er ontbreken geen tonen, maar twee toonafstanden zijn eenvoudigweg ruimer, waardoor meer ‘ademruimte’ ontstaat en de grondtoon minder absoluut is.

Ook ontbreekt meestal een uitgesproken mineur- of majeurstemming, zoals die wel mogelijk is in een complete ladder met grondtoon.

Het woord pentatoniek is afgeleid van het Griekse woord penta dat vijf betekent. Het is een toonsysteem dat uitgaat van vijf verschillende tonen, bijvoorbeeld D E – G A B. De gewone toonladder kent zeven stamtonen, de witte toetsen van de piano: C D E F G A B. Het is heel makkelijk om in deze toonreeks te spelen of te improviseren: elke toon klinkt eigenlijk altijd goed, de melodie kan tijdloos doorstromen en op elke toon zou je een melodie kunnen eindigen. Zelfs meerstemmig samen improviseren gaat soepel en uitnodigend, omdat er dan veel reine intervallen ontstaan en de samenklank daardoor zelden dissonant is.

Historie

Pentatone of pentatonische muziek is een muzikale en culturele uiting van oude beschavingen; het heeft zijn oorsprong in het oude Egypte (± 3000 voor Christus) en het oude China (± 2000 voor Christus). In die tijd was de kwint het bepalende interval in de muziek. De mensen stonden toen in hoge mate open voor de invloed en werking van de godenwereld, en de communicatie met het hogere gebeurde in muziek met wijde intervallen. Deze wijdheid werd toentertijd ervaren als ademruimte.

Dit soort muziek is sindsdien als het ware met de mensheid meegegroeid en is ook nu nog overal op de wereld te horen, zoals op de Hebriden, in Schotland en Ierland, in de Balkan (vb. Hongaarse en Roemeense volksliederen), in Japan, China, Afrika, Amerika (negro spirituals, oerjazz, gospels) en Israël (Jiddische liederen). Impressionistische componisten als Ravel (bijv. ‘Ma mère l’Oye) en Debussy (bijv. ‘Pagodes’) maakten ook gebruik van de pentatonische toonladders in hun composities. Ook in de eenvoudige kinder- en schoolmuziek (bijv. Orff: ‘Schulwerk’) worden de pentatonische toonladders veel toegepast.

Tegenwoordig ervaart men de ruimte in de pentatoniek echter veelal niet meer als ademruimte, maar als het ontbreken van tonen. Dit komt vooral omdat men zo gewend geraakt is aan de zeventonige, ‘gewone’ toonladder (do-re-mi-fa-so-la-ti-do of C D E F G A B C, op elke willekeurige hoogte te spelen door met voortekens aan te passen).

Soorten

Er bestaan drie soorten pentatone toonladders:

–       Anhemitone (an=zonder, hemi=halve: halvetoonloze) pentatonische of Chinese toonladder: de meest open klinkende pentatone ladder.
Voorbeeld: ‘d, e – g, a, b’. In Schotland en China bijvoorbeeld.

–       Hemitone (= halve-toonafstand) pentatone toonladder.
Voorbeeld: ‘d, es – g, a, bes’. Veel in Japanse muziek. De halve tonen geven het een dramatisch karakter. (bijvoorbeeld: Sakura).

–       Gelijktonige pentatone toonladder. Hierbij wordt het akkoord in vijf gelijke schreden verdeeld: zo ontstaan toonafstanden tussen onze hele of halve bekende afstanden in. Op Java bijvoorbeeld; voor westerse oren heel ongewoon.

De eerstgenoemde anhemitone toonladder heeft een zuiver, kinderlijk karakter en wordt daardoor veel in de pedagogie en in de therapie gebruikt.

Het kleine kind leeft sterk in het hier-en-nu, is nog zonder tijdsbesef, afhankelijk van de mensen in zijn omgeving en ontvankelijk voor het ritme in dag- en jaarverloop. Net zoals de mensheid in de zeer oude tijden: men was zich nog niet bewust van een historisch tijdsverloop, maar leefde in de steeds weerkerende kringloop van jaargetijden, in afhankelijkheid van hun leiders. Dit mensheidsstadium herhaalt zich in het kort in de ontwikkeling van ieder kind. De pentatone muzikale omgeving van de mensen in de oudheid is daarmee ook de aangewezen muzikale omgeving voor het jonge kind.

Mineur- of majeurtendens

Hierboven schreef ik dat er in de pentatoniek, door het ontbreken van twee tonen, geen duidelijke grondtoon voorkomt, noch een uitgesproken mineur- of majeurstemming. Dit is ook de gangbare muziektheoretische visie.

Toch is het  wel degelijk mogelijk om bepaalde stemmingen  te accentueren, zoals een mineurtendens: meer naar binnen gekeerd, verstild, intiem.  Of een majeurtendens: meer naar buiten gericht, uitbundig, actief en vrolijk. Door dit fenomeen van een specifieke stemmingstendens te kunnen herkennen en hanteren, maakt het mogelijk het ook te vermijden als je dat wilt, zodat je dan dus voor het jonge kind een zo vrij zwevend mogelijke klanksfeer kan maken!

Hieronder beschrijf ik eenvoudige technieken om de ene of de andere stemming te krijgen; probeer het al improviserend uit. Het is niet moeilijk om het te horen; het is een subtiel maar spectaculair verschil.

In de reeks D E – G A B zijn niet alle toonafstanden gelijk: de afstand E – G is een kleine terts, de afstand G – B is een grote terts.

Wanneer je in een improvisatie of lied een mineurstemming wilt accentueren, zijn hiervoor de volgende technieken te gebruiken:

–       benadrukken van de kleine terts E – G

–       met de kwint E – B versterk je (met B als ‘dominant’) de grondtoon E

–       eindigen op de latente grondtoon E.

–       benadrukken van de mineurdrieklank E – G – B

Wanneer je in een improvisatie of lied een majeurstemming wilt accentueren, zijn hiervoor de volgende technieken te gebruiken:

–       benadrukken van de grote terts G – B

–       met de kwint G – D versterk je (met D als ‘dominant’) de grondtoon G

–       eindigen op de latente grondtoon G

–       benadrukken van de majeurdrieklank G – B – D

–       gebruik van de ‘opmatige’ kwartafstand D – G

Let wel: wanneer je al deze dingen gaat toepassen gaat de muziek wel heel erg op ‘gewone’ grondtoonmuziek lijken en ben je de echte pentatoniek echt helemaal kwijt! Dit is vooral het geval bij de majeurtendens.

Vereenvoudigde samenvatting:

– D ‘werkt naar’ G

– E roept mineur op

– G roept majeur op

– A maakt vrij

– B roept mineur op

Relatie kwint en pentatoniek

Het specifieke karakter van het interval kwint (ruim maar niet te groot, open, vrij en omhullend, ademend, tijdloos, goudglanzend) wat de mens in de oudheid zo aansprak, is op meerdere manieren terug te vinden in de (oude) pentatone muziekcomposities: de al genoemde open sfeer van pentatoniek is verwant aan de open klank van de kwint; pentatoniek komt pas helemaal tot zijn recht wanneer er ook daadwerkelijk klinkende kwinten in voorkomen, bijvoorbeeld als opening- of slotinterval; en tenslotte is pentatoniek, historisch en muziektheoretisch gezien, terug te voeren op een ineenschuiven van een reeks kwintintervallen.

(Heel korte uitleg: in oeroertijden, toen de mens nog niet zo ‘compact’ was als tegenwoordig, klonken nog veel ruimere intervallen: via nonen, septiemen en sexten en uiteindelijk kwinten kwam de muziek langzaam ‘van hemel op aarde’, en konden mensen in de loop van de eeuwen steeds kleinere intervallen horen en beleven. Zo zijn uiteindelijk de opeenvolging van de kwinten G – D – A – E – B in de loop van de eeuwen als het ware ineengeschoven tot de huidige reeks D E – G A B).

Kwintenstemming

Dus bij de pentatoniek heeft het interval kwint een belangrijke functie. Toch hanteren we het begrip kwintenstemming niet speciaal met bovenstaande betekenis, maar voor aanduiding van een heel specifiek gebruik van de vijf tonen van de pentatoniek. Om namelijk bovengenoemde tendens naar grondtoon, mineur of majeur te vermijden, is er maar één mogelijkheid: de nadruk op G of E vermijden, door juist de A centraal te houden in een melodie. Eenvoudig maar doeltreffend.

Deze speciale techniek (zie verder) noemen we kwintenstemming, omdat hierin de open klank van de kwint nog sterker tot zijn recht komt dan in de pentatoniek. De kwintenstemming met zijn zwevende open klank en het tijdloos kunnen doorgaan van de melodiestroom komt overeen met de zielengeaardheid van het heel jonge kind. Ook in de muziektherapie is deze tendensvrije muzieksoort goed toe te passen om een ademende of hemelse sfeer te laten beleven, bijvoorbeeld bij kinderen die geretardeerd zijn of andere ontwikkelingsstoornissen hebben; maar ook in de stervensbegeleiding zou deze klanksfeer tot zijn recht kunnen komen.

De toon A centraal stellen

Luisterend naar een pentatonische melodie kan je dus in een natuurlijke, wijdse, paradijselijke of sprookjesachtige sfeer komen, maar de muziek kan ook een geborgen en intieme stemming scheppen. In deze stemming zijn zoals genoemd wel latente steuntonen hoorbaar, maar zolang je deze steuntonen vermijdt of afwisselt krijg je geen gevoel van een vaste grondtoon. Majeur en mineur die gebonden zijn aan een vaste grondtoon zijn daardoor te elimineren in de pentatoniek.

Toch was er in de muziektherapie en -pedagogie behoefte aan een nog opener klanksfeer: Julius Knierim, een Duits muziekwetenschapper (1919), was degene die deze  nieuwe vorm van pentatoniek heeft bedacht en uitgewerkt en het de naam kwintenstemming heeft gegeven. Het is eerder een kunstproduct dan een cultuuruiting, maar het werkt sterk om een zo groot mogelijke openheid en vrijheid te suggereren in de muziekbeleving.

Hierbij wordt uitgegaan van de anhemitone of halvetoonloze pentatone toonladder, waarbij de toon A steeds centraal gehouden wordt en daarom de middentoon wordt genoemd. Door deze specifieke pentatone toepassing is het mogelijk om een gevoel van grondtoon en mineur- en majeurtendens absoluut te vermijden, in veel sterkere mate dan bij pure pentatoniek het geval is.

Bij het musiceren in de kwintenstemming breidt men de vijf tonen uit tot zeven, door herhaling van de eerste twee tonen in het hogere octaaf: D E – G A B – D E. Men kan dan melodiezinnen heen en weer spelen en al dan niet symmetrisch spiegelen rond de A. Zo ontstaat er een soort horizontale beweging en een muzikale lemniscaat, welke een gevoel van wiegen, herhalen en omhullen geeft. Door de symmetrie wordt de centrale A bevestigd in zijn middentoonpositie: een toon zwevend tussen hemel en aarde in plaats van een grondtoon als fundament.

Het interval van de A naar de lage D, en van de A naar de hoge E is beide malen een kwint. Er zijn nog twee kwinten te vinden: van de lage E naar de B, en van de G naar de hoge D. In beeld:

D E – G A B – D E

Dit beeld is symmetrisch: de rechter en de linkerzijde vanaf het middelpunt A zijn het spiegelbeeld van elkaar. Ook de andere intervallen die erin voorkomen, zoals kwarten, tertsen en secundes, zijn aan beide zijden gelijk. Het interessante is, dat wat men hier met het oog waarneemt, men ook kan horen als men vanuit het midden omhoog en omlaag de tonen speelt of zingt en luistert naar de intervallen.

Wanneer nu in een melodie of liedje gebruik gemaakt wordt van deze symmetrische samenhang van de zeven tonen om de middentoon A, zeggen we dat dit liedje een kwintenstemming heeft, dus in de meest zwevende toepassing van de pentatoniek staat. Deze techniek kan heel consequent toegepast worden, door elke stijgende beweging weer dalend te spiegelen en andersom, maar maak de vorm niet te vast. Het is beter om vrij en speels met deze techniek om te gaan.

Adembogen

Niet alleen de soort pentatoniek heeft invloed op de sfeer van het lied, uiteraard spelen veel meer elementen een rol: welke maatsoort (wiegend 6/8 of stevig 4/4), welk ritme (dromend lang-lang of opwekkend kort-lang), welke tekst, welk instrument, zelfs welke vorm van aanbieden of attitude?

Om zo oorspronkelijk mogelijk in de pentatone sfeer te komen, kan het een hulp zijn om de strakke maatbegrenzing eens los te laten. Ook het variëren in zinslengte kan veel ademvrijheid geven. Om de pentatoniek en kwintenstemming zonder vaste maat te laten ervaren en toch een evenwichtige vorm te behouden, kan het beste in adembogen gezongen worden. Hiermee wordt de ruimtelijkheid en openheid van het pentatonische karakter zelfs nog versterkt. Deze musiceervorm is niet eenvoudig, en om het echt vrij te laten klinken en niet gekunsteld, is veel (spelenderwijs!) oefening nodig.

Anderzijds kan de vertrouwde maatvorm wel weer een veilige omhulling en houvast geven. Een goede tussenvorm biedt het werken met fermates, zoals in het voorbeeldje van de kwintenstemming is geïllustreerd.

Van kwintenstemming, via pentatoniek en kerkmodi naar een stevige grondtoon

Nog eens terugkijkend op de verschillende muziekstijlen zou je hierin bij een opgroeiend kind een mooie opbouw kunnen maken (uitgaande van een gemiddeld harmonische ontwikkeling).

Beginnend bij het heel jonge kind, liggend in de wieg, kan een muzikale sfeer (zang, lier) van een ijle kwintenstemming passen, met vrije adembogen en licht dalende melodielijnen. Wat ouder geworden kan een kind muzikaal begeleid worden met een meer symmetrische kwintenstemming, om rond het 4e jaar echt plaats te maken voor pure pentatoniek. Rond het 6e jaar kan dan de pentatoniek wat steviger worden en al duidelijk kleuren naar mineur- of majeurtendens. Rond het 7e, 8e jaar kan men in de stijl van de middeleeuwse kerktoonladders musiceren, waarbij al wel een grondtoon optreedt, maar die door de wisselende plaats van de halvetoonsafstand nog niet zo ‘vastgenageld’ zit als bij de gewone grondtoonmuziek. Rond het 9e jaar vindt deze opbouw een voorlopige afronding in de echte grondtoonmuziek, in onvervalst mineur en majeur, tertssfeer, meerstemmigheid en canons.

Het is belangrijk om kinderen passend muzikaal te voeden, maar een eenzijdige pentatone aanpak werkt mijns inziens onvolledig. Het kind leeft ook in deze moderne tijd en heeft dus ook behoefte aan stevige ‘gewone’ liedjes en het zogenoemde reguliere kinderlied.

Terug
Login/registreren

Om te reageren op Astrid Schoots - Pentatoniek dient u ingelogd te zijn.

Inloggen / Registreren