Ademhalingsoefeningen

Zingen gebeurt op een uitademing, en daarmee is de adem de drager van de zang, vergelijkbaar met de strijkstok bij het vioolspel. Een lage en goed gesteunde ademhaling die de rest van het lichaam niet verkrampt is een belangrijke voorwaarde voor het zingen. Het gaat daarbij over het ruim en ontspannen inademen, het ontdekken van het diepe ademreservoir, het geleidelijk afgeven van de adem door het middenrif, en het loslaten (afspannen) van het middenrif voor een nieuwe inademing. Door ademhalingsoefeningen kan dit ademgebruik geautomatiseerd worden, belangrijk omdat het bij het zingen een onbewust proces moet zijn.

17 - De gaskraan

Bedien een denkbeeldige gaskraan met vier standen: hard, gemiddeld, zacht en uit. Met een krachtige of zachtere FFFF wordt hoorbaar gemaakt hoeveel gas er ontsnapt. Draai aan een denkbeeldige knop, laat de kinderen meedoen en ook meeblazen. Varieer veelvuldig in de kracht waarmee het gas ontsnapt, flink heen en weer draaien dus. Draai de knop ook regelmatig uit, zodat de leerlingen even wat lucht kunnen bijtanken. 

18 - Laat-laat

Zing op lange noten de woorden laat - laat- laat. Zie de melodie bij Lees verder. Geef zowel de inzet van de noten aan, als ook de afsluitende T. Dirigeer dus de tonen en de slotmedeklinker. Die afsluitende T moet kracht uitgesproken worden, met een plof. Geef ook de inzetten energiek aan, zorg voor gelijkheid en een scherpe klank. Houd de laatste toon met de fermate nog wat langer aan. Gebruik ook andere woorden met een ploffende slotmedeklinker, zoals kip, fuut, dik, wat en slaap. Bij dit laatste woord moet de fermate eindeloos duren, totdat iedereen in slaap is.....

Lees verder

19 - Twintig tellen ssss

Laat de leerlingen een lange, dunne en gelijkmatige ssss zingen, terwijl je er als leerkracht bij telt. Start met tien tellen, en bouw op naar twintig tellen. Zorg voor een ruime, ontspannen en lage ademhaling vooraf, en een rustige ademstroom. De leerkracht kan tegelijk met het tellen een stukje lopen, een afstand overbruggen, waaraan duidelijk te zien is hoe lang er nog moet worden de uitgeblazen. De leerlingen kunnen tijdens de lange ssss nog andere opdrachten uitvoeren, zoals het langzaam ronddraaien van de schouders, arm- of hoofdbewegingen om een ontspannen houding te bevorderen. Voorkom dat de leerlingen de oefening met teveel spanning in hun lijf doen. Vergelijk het met het onder water zwemmen van een bepaalde afstand.

20 - Tot je er bent!

Een oefening om met een klein groepje leerlingen te doen. Ga met z'n allen naast elkaar in een rijtje staan aan de ene kant van een zaal. Schuif een rol plakband een stuk de zaal in, haal adem en loop dan synchroon met elkaar met een constante ssss tot de plek waar de rol is terechtgekomen. Draai met z'n allen om, pak de rol en schuif hem weer terug, en loop al sissend terug. In de tweede ronde schuif je de rol wat verder weg, de loopafstand en de lengte van de ssss zijn nu groter. Vergroot op deze manier steeds de afstand, en verleng daarmee de uitademing op ssss. Maak er een uitdaging van. Tussentijds ademen tijdens het lopen is uiteraard verboden....

X

Gebruik je mobiel in horizontale positie voor een optimale weergave.