Fluitoefeningen - toonladders

Het spelen van toonladders is een mooie start van de fluitles. De vingerbewegingen kunnen worden geoptimaliseerd, vingers- en tongbeweging bij het gearticuleerde spelen worden gesynchroniseerd, er kan geoefend worden aan toonvorming, adembeheersing en gemeenschappelijkheid, samenspel. Toonladders hoeven geenszins saai te zijn! Het spelen ervan is voor de leerlingen een vertrouwde start, en variatie in spelvormen houdt het interessant en uitdagend. Het is een warming-up voor de fluitles, wat betreft vingers, adem en oren.

1 - Gewone toonladder

Speel de tonen van het onderste octaaf van de fluit stijgend en dalend, zonder stop bovenin. Je kunt de eerste keren op het bord de toonreeks schrijven, later alleen de curve van de toonladder, daarna niets meer. Zie het notenvoorbeeld bij Lees verder.

Lees verder

2 - Welke versnelling?

We spelen de gewone toonladder in zes verschillende snelheden, als de versnellingen van een auto. Versnelling 1 is erg langzaam, 2 is al ietsje sneller, en zo bouwt het op naar versnelling 6, die bijna onspeelbaar is. Probeer in de loop van het jaar steeds een hogere versnelling, houd de uitdaging in het vooruitzicht.

Lees verder

3 - Welk tempo?

Een leerling in de klas telt af tot vier: 1-2-3-4. In dat tempo gaat de klas een toonladder spelen. Aan de gelijkheid van de tweede toon van de toonladder is goed te horen of alle leerlingen hetzelfde tempo hebben gekozen. Wees streng in de zorg voor gelijkheid bij deze oefening. Het valt voor de leerlingen niet mee om een echt nieuw tempo te kiezen, dat een stuk sneller of langzamer is dan het vorige tempo.

Lees verder

4 - Omspeelde toonladder

Zie het notenvoorbeeld bij Lees verder. De melodie gaat steeds twee tonen vooruit en dan eentje terug. Bovenin de toonladder wordt dat een probleem, omdat er niet boven het octaaf gespeeld wordt. Daarom is er een kleine aanpassing aan de melodie. Ook bij de terugweg is er aan het eind een aanpassing nodig. Het metrum lang-kort-kort geeft een duidelijke structuur aan de lange reeks noten. Bovenin de toonladder is er frasering (ademmoment).

Lees verder

5 - Opbouwtoonladder

In deze oefening komen de lage tonen lekker vaak langs! Omdat bij deze tonen alle gaten goed gesloten moeten zijn, zijn dit de lastigste grepen, die met deze oefening goed geoefend worden. Zie het notenvoorbeeld bij Lees verder. Het tempo bij het spelen mag wat variëren: langzamer bij de lage tonen, wat sneller bij de hogere tonen.

Lees verder

6 - G-toonladder

Omdat we de toonladders steeds spelen binnen het eerste octaaf van de fluit (dus zonder overblaastonen) is het aantal toonladders dat gespeeld kan worden heel beperkt. Maar de toonladder van G (op de d-fluit) en die van F (op de c-fluit) kunnen met een kleine aanpassing toch klinken. Zie het notenvoorbeeld bij Lees verder. Er wordt begonnen op de G, dan klinkt een stukje toonladder stijgend (denk om de C), dan volgt een hele toonladder dalend, en tenslotte weer een stukje stijgend. Het is een sinusvorm als golfpatroon.

Lees verder

7 - Intervaltoonladder

Kijk bij Lees verder voor het notenvoorbeeld. Elke keer wordt er teruggegrepen naar de grondtoon, die daardoor goed geleerd wordt. Er gaan gedurende de oefening steeds meer vingers op en neer, laat de vingers daarbij niet te hoog optillen. En pas op vallende fluiten wanneer de hoogste toon wordt bereikt……

Lees verder

8 - Hoketus

Hoketus (Latijn voor 'hikken') betekent dat een melodie heen en weer beweegt tussen twee of meer stemmen, bijvoorbeeld om en om een toon. Verdeel de klas in twee groepen, de groepen spelen afwisselend de tonen van de toonladder, stijgend en dalend. De leerlingen spelen wel alle grepen maar blazen dus bij de ene toon wel, en bij de volgende niet. Probeer de tonen naadloos te laten aansluiten.

Lees verder
X

Gebruik je mobiel in horizontale positie voor een optimale weergave.