6 - Au clair de lune

Deze oefening is geschikt voor oudere kinderen en volwassenen. Het lied Au clair de la lune wordt enkele keren gezongen, eerst unisono, vanaf verschillende grondtonen: G, E, lage C. Vervolgens wordt de groep verdeeld, eerst in tweeën, later in drieën, en misschien zelfs in vieren. De groepen zingen elk het lied, maar hebben een eigen grondtoon/starttoon. Het lied klinkt dan volledig parallel, eerst tweestemmig, daarna drie- of vierstemmig. Omdat elke groep een eigen grondtoon heeft, wordt er ook gezongen in verschillende toonsoorten tegelijk. Dat betekent dat de ene groep bepaalde voortekens heeft, die de andere groep niet heeft. Er ontstaat daardoor een wat zwevende tonaliteit.

Het vraagt van de groepen een tweeledig luisteren: enerzijds naar de eigen zang, om daar niet uit te raken, anderzijds naar de andere groepen, om in de meerstemmigheid bij elkaar te blijven en de samenklanken te horen. Tweestemmigheid is met wat oefening voor de hogere klassen van de basisschool haalbaar.

Variatie 1: begin met grondtonen die een terts of een kwint van elkaar verwijderd zijn, dan zijn de samenklanken nog behoorlijk consonant. Maar kies daarna grondtonen die wat dichter bij elkaar liggen, bijvoorbeeld D, G en A. Een mooie vierstemmige combinatie is Bes, D, F en A. De samenklanken worden dan wat spannender, dissonanter. Zoek de grenzen op van wat haalbaar is.

Variatie 2: Als de zangers inmiddels wat ervarener zijn, dan kun je de groepen kleiner maken, misschien zelfs solistisch bezetten, of er een liggende bourdon-kwint onder leggen: een lang doorklinkende kwint Bes-F in bovenstaand voorbeeld.

Terug
X

Gebruik je mobiel in horizontale positie voor een optimale weergave.