Dieroem-daroem-doem, wat kan ik al doen?
Mijn naam kan ik al schrijven, mijn veters kan ik knopen,
mijn jasje kan ik zelf aan doen, dieroem-daroem-doem.
Bibliotheek
Canons
Liederen kleuters
Liederen klas 1 / groep 3
Liederen klas 2 / groep 4
Liederen klas 3 / groep 5
Liederen klas 4 / groep 6
Liederen klas 5 / groep 7
Liederen klas 6 / groep 8
Liederen klas 7 / brugklas
Liederen - jaarfeesten
Liederen - thema's
Meerstemmig
Helioskampen
Auteurs
De 25 favorieten van ...
Ademhaling
Articulatie
Brommers
Concentratie
Houding
Luisteren
Resonans
Stem losmaken
Kinderen met zangproblemen
Lied • Joshua fought the battle of Jericho (2)
Refr.
Joshua fit de battle of Jericho
Joshua fit the battle of Jericho
Joshua fought the battle of Jericho, Jericho, Jericho.
Joshua fought the battle of Jericho, and the walls
come tumbling down, (tumbling down)!
Joshua fit the battle of Jericho
Joshua fought the battle of Jericho, Jericho, Jericho.
Joshua fought the battle of Jericho, and the walls
come tumbling down, (tumbling down)!
1.
Up to the walls of Jericho
he marched with spear in hand.
"Go blow them ram horns," Joshua cried,
" 'cause the battle is in my hand."
he marched with spear in hand.
"Go blow them ram horns," Joshua cried,
" 'cause the battle is in my hand."
2.
Then the ram horns all begin to blow,
trumpets begin to sound,
Joshua commanded the children to shout,
and the walls come tumbling down!
trumpets begin to sound,
Joshua commanded the children to shout,
and the walls come tumbling down!
Lied • Als de zon is heengegaan (2)
Als de zon is heengegaan en de nacht gekomen,
schijnt van ver de stille maan, donker staan de bomen.
Alle dieren in de schuur slapen op dit late uur.
Stookt het vuur en zingt!
schijnt van ver de stille maan, donker staan de bomen.
Alle dieren in de schuur slapen op dit late uur.
Stookt het vuur en zingt!
Lied • Five little speckled frogs
1.
Five little speckled frogs sat on a speckled log,
catching some most delicious bugs, yum-yum.
One jumped into the pool where it was nice and cool
and there were four green speckled frogs, glub-glub.
catching some most delicious bugs, yum-yum.
One jumped into the pool where it was nice and cool
and there were four green speckled frogs, glub-glub.
2.
Four little speckled frogs …
3.
Three little speckled frogs …
4.
Two little speckled frogs …
5.
One little speckled frog sat on a speckled log,
catching some most delicious bugs, yum-yum.
He jumped into the pool where it was nice and cool
and there were no green speckled frogs, glub-glub.
catching some most delicious bugs, yum-yum.
He jumped into the pool where it was nice and cool
and there were no green speckled frogs, glub-glub.
1.
Vertel eens vlinder, vertel eens vlinder, waar kom je vandaan?
Vertel eens vlinder, vertel eens vlinder, iets van jouw bestaan!
Vertel eens vlinder, vertel eens vlinder, iets van jouw bestaan!
2.
Ik was een rupsje, ik was een rupsje, ik zat op een blad.
Ik was een rupsje, ik was een rupsje, ik at er maar wat.
Ik was een rupsje, ik was een rupsje, ik at er maar wat.
3.
Ik was een rupsje, ik was een rupsje, ik spon en ik spon.
Ik was een rupsje, ik was een rupsje, ik spon een cocon.
Ik was een rupsje, ik was een rupsje, ik spon een cocon.
4.
Het was een huisje, het was een huisje, zo zacht als satijn.
Het was een huisje, het was een huisje, ik sliep er zo fijn.
Het was een huisje, het was een huisje, ik sliep er zo fijn.
5.
Maar op een morgen, maar op een morgen, verloor ik mijn huid.
Maar op een morgen, maar op een morgen, toen kroop ik er uit.
Maar op een morgen, maar op een morgen, toen kroop ik er uit.
6.
En toen de zon scheen, en toen de zon scheen toen merkte ik pas
dat ik een vlinder, dat ik een vlinder, dat ik een vlindertje was.
dat ik een vlinder, dat ik een vlinder, dat ik een vlindertje was.
7.
En ik kon vliegen, en ik kon vliegen, wat ik vroeger niet kon.
En ik kon vliegen en ik kon vliegen, ik vloog naar de zon.
En ik kon vliegen en ik kon vliegen, ik vloog naar de zon.
1.
Kom buurman, ga eens kijken, naar 't kleine Jezuskind!
Dan zal u spoedig blijken dat Hij, die gij daar vindt,
niet met zijn roem wil prijken, maar ons, heel arm, bemint.
Dan zal u spoedig blijken dat Hij, die gij daar vindt,
niet met zijn roem wil prijken, maar ons, heel arm, bemint.
2.
Maar laten we eerst zoeken een warme, zachte mat
en fijne zijden doeken voor deze kleine schat.
Ja, als wij Hem bezoeken dan schenken wij Hem dat!
en fijne zijden doeken voor deze kleine schat.
Ja, als wij Hem bezoeken dan schenken wij Hem dat!
3.
Laat luit en blokfluit spelen een nieuwe melodie!
Laat klinken uit de kelen een vrolijk do-re-mi!
Laat d'Allerhoogste delen in onze euforie!
Laat klinken uit de kelen een vrolijk do-re-mi!
Laat d'Allerhoogste delen in onze euforie!
Lied • Als ich bei meinen Schafen wacht'
1.
Als ich bei meinen Schafen wacht',
ein Engel mir die Botschaft bracht'.
ein Engel mir die Botschaft bracht'.
Refr.
Des bin ich froh, bin ich froh,
froh, froh, froh, froh, froh, froh!
Benedicamus Domino!
froh, froh, froh, froh, froh, froh!
Benedicamus Domino!
2.
Er sprach:"Der Heiland Jesus Christ
zu Bethlehem geboren ist!"
zu Bethlehem geboren ist!"
3.
Er sagt, das Kind läg da im Stall
und sollt die Welt erlösen all.
und sollt die Welt erlösen all.
4.
Den Schatz muss ich bewahren wohl,
so bleibt mein Herz der Freudenvoll.
so bleibt mein Herz der Freudenvoll.
Fluitlied • Zie, daar komt de stoomboot aan!
Zie, daar komt de stoomboot aan!
Zie, daar Sinterklaas op staan,
vrolijk, vrolijk, hopsasa!
Klap in je handen, tralala!
Zie, daar Sinterklaas op staan,
vrolijk, vrolijk, hopsasa!
Klap in je handen, tralala!
Lied • Hymne voor de paasmorgen (1)
1.
De rode glans van het ochtendlicht
De rode glans van 't ochtendlicht
doorstraalt het hemels vergezicht.
Nu Christus is verrezen.
De wereld juicht met blijde kracht,
de hel slaakt zuchtend klacht na klacht,
nu Christus is verrezen.
De rode glans van 't ochtendlicht
doorstraalt het hemels vergezicht.
Nu Christus is verrezen.
De wereld juicht met blijde kracht,
de hel slaakt zuchtend klacht na klacht,
nu Christus is verrezen.
2.
Want Christus, onze sterke held,
heeft fier de macht des doods geveld,
doordat Hij is verrezen.
Als overwinnaar van de dood
verrijst Hij sterk en stralend groot;
de Christus is verrezen.
heeft fier de macht des doods geveld,
doordat Hij is verrezen.
Als overwinnaar van de dood
verrijst Hij sterk en stralend groot;
de Christus is verrezen.
Lied • Wenn ich wahrhaft still bin
Wenn ich wahrhaft still bin, wirkt der Gott in mir.
Wenn ich wahrhaft wi-ke, ruhe ich in Ihm.
Wenn ich wahrhaft wi-ke, ruhe ich in Ihm.
Lied • De zevensprong (1)
Heb je wel gehoord van de zeven?
Heb je wel gehoord van de zevensprong?
Ze zeggen dat ik niet dansen kan,
ik kan dansen als een edelman.
Dat is één. één, dat is twee. en dat is zeven.
Heb je wel gehoord van de zevensprong?
Ze zeggen dat ik niet dansen kan,
ik kan dansen als een edelman.
Dat is één. één, dat is twee. en dat is zeven.
Lied • Quem pastores laudavere (3)
1.
Quem pastores laudavere, quibus angeli dixere:
"Absit vobis iam timere, natus est Rex gloria!"
"Absit vobis iam timere, natus est Rex gloria!"
Refr.
Nunc angelorum gloria hominibus resplenduit in mundo.
2.
Novi partus gaudia virgo mater produxit, et sol verus in tenebris illuxit.
Christus natus hodie ex virgine; sine virili semine est natus Rex.
Christus natus hodie ex virgine; sine virili semine est natus Rex.
3.
Ad quem magi ambulabant, aurum, thus, myrrham portabant,
immolabant haec sincere, leoni victoria.
immolabant haec sincere, leoni victoria.
4.
Exultemus cum Maria in coelesti hierarchia,
natum promat voce pia dulci cum melodia.
natum promat voce pia dulci cum melodia.
5.
Christo Regi, Deo nato, per Mariam nobis dato,
merito resonet vere, laus honor et gloria.
merito resonet vere, laus honor et gloria.
Fluitlied • Lantaarntje, lantaarntje (2)
Lantaarntje, lantaarntje, straal als zon en maantje!
Wij willen in het donker gaan en steken onze lichtjes aan.
Wij willen in het donker gaan en steken onze lichtjes aan.
Lied • Ik zeg adieu (2) - Quodlibet
1.
Eerste lied:
Ik zeg adieu, wij twee, wij moeten scheiden,
tot op een nieuw, zo wil ik troost verbeiden.
Ik laat bij u dat herte mijn,
want waar gij zijt, daar zal ik zijn.
't Zij vreugd of pijn, altoos wil ik u eigen zijn.
Ik zeg adieu, wij twee, wij moeten scheiden,
tot op een nieuw, zo wil ik troost verbeiden.
Ik laat bij u dat herte mijn,
want waar gij zijt, daar zal ik zijn.
't Zij vreugd of pijn, altoos wil ik u eigen zijn.
2.
Tweede lied:
De jonge lente in 't verschiet;
de vogel zingt zijn lied.
Hoor ginds in 't riet: de vlasvink
en de wielewaal, de merel en de griet!
De jonge lente in 't verschiet;
de vogel zingt zijn lied.
Hoor ginds in 't riet: de vlasvink
en de wielewaal, de merel en de griet!
Fluitlied • Ik zeg adieu (1)
1.
Ik zeg adieu, wij twee, wij moeten scheiden,
tot op een nieuw, zo wil ik troost verbeiden.
Ik laat bij u dat harte mijn,
want waar gij zijt, daar zal ik zijn.
't Zij vreugd’ of pijn, altoos wil ik uw eigen zijn.
tot op een nieuw, zo wil ik troost verbeiden.
Ik laat bij u dat harte mijn,
want waar gij zijt, daar zal ik zijn.
't Zij vreugd’ of pijn, altoos wil ik uw eigen zijn.
2.
Ik dank u, lief, rein minlijk lief geprezen,
voor alle grief, zo wil mij toch genezen.
Benijders fel met haar venijn,
zij hebben belet ons blijde aanschijn.
Op dit termijn, altoos wil ik uw eigen zijn.
voor alle grief, zo wil mij toch genezen.
Benijders fel met haar venijn,
zij hebben belet ons blijde aanschijn.
Op dit termijn, altoos wil ik uw eigen zijn.
3.
Adieu, schoon stad, adieu prieel vol vreugden,
rein maagd'lijk vat, daar wij ons saam verheugden.
Gedenk den troost die gij mij bood,
gij zijt mijn lief die ik nooit en vlood.
Ik zeg 't u bloot, uw eigen blijf ik tot de dood.
rein maagd'lijk vat, daar wij ons saam verheugden.
Gedenk den troost die gij mij bood,
gij zijt mijn lief die ik nooit en vlood.
Ik zeg 't u bloot, uw eigen blijf ik tot de dood.
1.
's Winters is het 's avonds zo donker,
donker in huis en donker op straat.
donker in huis en donker op straat.
Refr.
Doe, doe, doe de deuren maar toe,
doe, doe dicht, gordijnen maar dicht.
Thuis is het warm, thuis is het licht.
doe, doe dicht, gordijnen maar dicht.
Thuis is het warm, thuis is het licht.
2.
Winterweer met storm en met regen,
hagel en sneeuw, met kou en met ijs.
hagel en sneeuw, met kou en met ijs.
3.
Binnen is het nu zo gezellig,
fijn met z'n allen bij de tv.
fijn met z'n allen bij de tv.
Lied • The lark in the morning (1)
1.
The lark in the morning,
she rises of her nest,
she goes off in the air
with the dew all on her breast.
And like the jolly ploughboy,
she whistles and she sings.
She goes home in the evening
with the dew all on her wings.
she rises of her nest,
she goes off in the air
with the dew all on her breast.
And like the jolly ploughboy,
she whistles and she sings.
She goes home in the evening
with the dew all on her wings.
2.
And as I was a-walking
one morning in the spring,
I met a pretty maiden,
so sweetly she did sing.
And as we were a-walking,
these words she did say:
"There is no life like the ploughboy's
in the merry month of May!"
one morning in the spring,
I met a pretty maiden,
so sweetly she did sing.
And as we were a-walking,
these words she did say:
"There is no life like the ploughboy's
in the merry month of May!"
Wolle, wolle schapen, heb je 't niet warm?
Is je wol zó dik gegroeid, zo dik wel als een arm?
Schapen, schapenscheerder, kom maar met je schaar!
Wil je onze wol maar scheren? Wij zijn klaar!
Is je wol zó dik gegroeid, zo dik wel als een arm?
Schapen, schapenscheerder, kom maar met je schaar!
Wil je onze wol maar scheren? Wij zijn klaar!
Fluitlied • Listopad, listopad
1.
Listopad, listopad,
lístecek mi na dlan spad.
Zlatý lístek z javora,
zima už jde do dvora.
lístecek mi na dlan spad.
Zlatý lístek z javora,
zima už jde do dvora.
2.
Listopad, listopad,
vítr fouká do zahrad,
padá listí z jabloní,
zima jede na koní.
vítr fouká do zahrad,
padá listí z jabloní,
zima jede na koní.
3.
Listopad, listopad,
déšt' se snáší na náš sad,
tichý deštík z oblaku,
zima krácí v soumraku.
déšt' se snáší na náš sad,
tichý deštík z oblaku,
zima krácí v soumraku.
4.
Listopad, listopad,
mlha halí vinohrad,
stríbrem zdobí okolí,
zima vchází do polí.
mlha halí vinohrad,
stríbrem zdobí okolí,
zima vchází do polí.
Fluitlied • Als je blij bent
Als je blij bent, zonder zorgen,
klap dan mee.
Als je blij bent, zonder zorgen,
hou het niet voor ons verborgen.
Als je blij bent, zonder zorgen,
klap dan mee.
klap dan mee.
Als je blij bent, zonder zorgen,
hou het niet voor ons verborgen.
Als je blij bent, zonder zorgen,
klap dan mee.
Lied • Lachend komt de jonge lente aan
Lachend komt de jonge lente aan,
de winter is nu weer gedaan.
Bloemen bloeien in het groene woud,
de koekoek roept in’t hout, in het hout
de winter is nu weer gedaan.
Bloemen bloeien in het groene woud,
de koekoek roept in’t hout, in het hout
Fluitlied • When the chariot comes
1.
Oh, who will drive the chariot when she comes, (when she comes!)
oh, who will drive the chariot, who will drive the chariot,
who will drive the chariot when she comes? (when she comes!)
oh, who will drive the chariot, who will drive the chariot,
who will drive the chariot when she comes? (when she comes!)
2.
King Jesus, he'll be driver when she comes, …
3.
She'll be loaded with bright angels when she comes …
4.
She will neither rock nor totter when she comes …
5.
She will run so level and steady when she comes …
6.
She will take us to the portals when she comes …
Lied • What hap had I to marry a shrew
1.
What hap had I to marry a shrew,
for she hath given me many a blow,
and how to please her, a-lack I do not know.
for she hath given me many a blow,
and how to please her, a-lack I do not know.
2.
From morn to e'en her tongue ne'er lies,
some time she brawls, some time she cries,
yet can I scarce keep her talons from my eyes.
some time she brawls, some time she cries,
yet can I scarce keep her talons from my eyes.
3.
If I go abroad and late come in,
"Sir knave," saith she, "where have you ben?"
And do I well or ill, she claps me on the skin.
"Sir knave," saith she, "where have you ben?"
And do I well or ill, she claps me on the skin.