Matthijs:
Goedemorgen Hanna.
Matthijs:
Goedemorgen.
Matthijs:
Wat is fijn dat je er bent. Dat wij het gesprek hebben, dat doet me wel echt denken aan een jaar of twee jaar geleden, denk ik, toen zat je hier ook. Toen had ik gevraagd: wil je een keer mij wat vertellen over hoe dat gaat met muziek lesgeven in klas zeven en acht? Want toen was ik gevraagd op de Vrijeschool lerarenweek om daar ook voor de zevende en achtste klassen, jaarklassen, iets te vertellen over muziek. Ja, en ik heb daar eigenlijk nooit lesgegeven. Dus ik zat er een beetje mee in mijn maag toen. Ik dacht: Daar moet ik echt even iemand over spreken die dat als dagelijks werk doet. Nou, ik vond het een heel inspirerend gesprek. Ik heb er van alles over opgeschreven en dat ook met jouw naam noemend, toen bij die zeven en achtste klassen leerkrachten, cursisten. Het was voor mij ook wel een soort van nieuw, want ik ken die zevende achtste klas als middelbouw niet. Ik heb ook eigenlijk nooit de ambitie gehad om daar wat te gaan doen. Nee, ik heb eigenlijk altijd in de onderbouw gezeten.
Matthijs:
En misschien is het ook als je daar eenmaal lang bent dat je denkt: nou, dat kan ik niet. Laat ik dat maar niet doen, dat durf ik niet. Laat mij maar blijven van bij wat ik doe. Maar heb jij nou vanaf het begin af aan wel steeds de zevende achtste klas, of nog hoger gedaan? Want hoe is die onderbouw voor jou? Zal dat ook iets voor jou zijn? Ben je er wel eens mee begonnen, of niet?
Hanna:
Jazeker. Ik ben zelfs mijn eerste stage, ben ik op een basisschool begonnen als muziekdocent. Dus in mijn eerste studiejaar, dat was nog in Limburg. Ik studeerde in Maastricht. En dat was bij de kleuters en hebben veel muziek en beweging gedaan en dat beviel me wel. En daarna heb ik ook nog op een speciale school voor zeer moeilijk lerende kinderen, heb ik stage gelopen en daar heb ik ook muziekles gegeven, met een totaal andere insteek. En daarna ben ik pabo gaan doen en toen ben ik op de vrijeschool terechtgekomen met één tot... nou, eigenlijk was het vier, vijf, zes wat ik les gaf en ook het orkest. En toen dacht ik: hm. Nou, het is wel leuk, maar ja, niet helemaal mijn doelgroep.
Matthijs:
Want je hebt de schoolmuziek gestudeerd na je middelbare school.
Hanna:
Ja.
Matthijs:
Toen was je muziekjuf, -docent. En toen dacht je: ik ga toch de pabo doen.
Hanna:
Ja, sterker nog tegelijkertijd met koordirectie. Want ik voelde me nog wat kaal. Ik dacht: ik ben wel schoolmuziekdocent, maar wat weet ik nou van koordirectie af. En als muziekdocent word je hem niet zo snel aangenomen op een basisschool.
Matthijs:
Je dacht dan kan ik dat fijn ook nog naast koor gaan dirigeren.
Hanna:
Dus als ik gewoon op een basisschool wordt aangenomen met mijn pabo, dan kan Ik ga daarnaast gewoon daar de hele muziektoko runnen.
Matthijs:
Maar wilde je dan op die basisschool als muziekleraar aan de slag, of echt als klassenleerkracht?
Hanna:
Nou, de combinatie leek mij best wel leuk. Dat je een eigen klas hebt onder je hoede en daarnaast dus alle muziek verzorgt.
Matthijs:
Maar toen zat je eenmaal tussen die jonge kinderen en toen dacht je: ik weet het niet, misschien moeten er toch oudere kinderen zijn?
Hanna:
Ja, dat kwam ook wel voornamelijk omdat die pabo niet bij mij aansloot.
Matthijs:
Je hebt dat uiteindelijk ook niet afgerond?
Hanna:
Nee, omdat ik ook merkte van: ja, ik kan toch al wat en moest ik nog weer allemaal opdrachten vervullen die ik niet zinvol vond. En ik was toch veel muziek aan het geven op die stagescholen. Dus iemand zei dus ook tegen mij: waarom ga je niet muziek geven op school?
Matthijs:
En waar ben je toen voor het eerst begonnen? Op de middelbare school?
Hanna:
Ja, dat was toch de Stichtse vrijeschool?
Matthijs:
Dat was hier in Zeist op de Stichtse.
Hanna:
Ja.
Matthijs:
Hoelang is dat geleden?
Hanna:
Ja, dat was 2007, dat ik daar begon.
Matthijs:
15 jaar geleden.
Hanna:
Dus toen heb ik nog rond gezworven met mijn studies. En toen ben ik dus voortijdig gestopt met Koorderectie en pabo, want die vacature kwam vrij.
Matthijs:
Oh, je dacht die kans die grijp ik.
Hanna:
Ja.
Matthijs:
Als ik zo een beetje kijk naar die zevende, achtsteklassers. Ik zie natuurlijk mijn zesde klassen langzamerhand zevende worden, zo tegen het eind van het schooljaar. En dan begin ik al gelijk een gevoel te krijgen. Ik geloof dat ik ze niet meer helemaal bereik of niet meer helemaal snap. Het is fijn dat ze nu bij Hanna terecht gaan komen. Want je moet toch wel uit een speciaal soort hout gesneden zijn, om dat te doen. Maar goed, ik hoorde je toen twee jaar geleden zeggen: Ach, die zevende klassen die komen binnen, dat zijn schaapjes, die zitten daar heel braaf. Is dat nou echt zo? Of is dat omdat je gewoon zo'n bak ervaring hebt dat je denkt: ach, dat schud ik uit mijn mouw.
Hanna:
Nee, ik vind dat heel leuk dat je dat zegt, want voor mij, wat jij beschrijft eind zesde klas, dat ervaar ik heel erg in eind achtste klas.
Matthijs:
Oh?
Hanna:
Dus zo groen als ze in de zevende binnenkomen, als ik het zo mag zeggen. En open-minded, ja, ze zijn heel open-minded en ze zijn nieuwsgierig en doorgaans ook heel braaf inderdaad. In de achtste klas weten ze hoe het gaat, kennen ze mij, kennen ze de gang van zaken. En dan langzaam aan gaat daar ook wat borrelen in die onderbuik en dan denk ik: ho, dan moet ik echt uit een ander vaatje gaan tappen.
Matthijs:
Maar is dat... Ik zie natuurlijk in die zesde al gebeuren dat er tussen jongens en meisjes toch wel echt een soort Berlijnse Muur komt te staan.
Hanna:
Ja, wat?
Matthijs:
Op in bepaald opzicht en dan in opzicht ook helemaal niet. Maar die is dan toch in de zevende klas niet...
Hanna:
Die is er nog.
Matthijs:
Dat wou ik zeggen.
Hanna:
Die is er nog. Ja, ze kunnen ook heel fel op elkaar reageren. Dus dat is er wel. Maar daar heb ik verder geen last van.
Matthijs:
Nee, is het niet zo dat dat jongens dan zich gaan generen om te zingen waar de meisjes bij zijn en andersom ook omdat ze gewoon eigenlijk ergens bang zijn dat ze raar gevonden worden, rare opmerkingen krijgen. Zie je dat in de zevende klas nog niet zo?
Hanna:
Ik zie wel gebeuren dat er commentaar op elkaar gegeven wordt, maar dat is meer gedragsmatig dan over het zingen. Dat druk ik ook acuut de kop in, dat ook. Maar ik moet ook zeggen, de middenbouw docenten in zeven, acht, die doen daar heel veel voorwerk. Dus die eerste samenkomst van leerlingen die van alle winststreken komen, daar gebeurt iets best wel bijzonders wat die klassenleerkracht doet. Die maakt bewust stappen om er een klas van te maken. En daar ga ik natuurlijk met muziek ook dankbaar op in.
Matthijs:
Want die zevendeklassers, die komen van verschillende scholen, van verschillende vrijescholen.
Hanna:
Van heel ver weg.
Matthijs:
Maar waarschijnlijk ook van reguliere scholen.
Hanna:
Ook. Weinig.
Matthijs:
Weinig, bij jullie.
Hanna:
Omdat de vrijeschool leerlingen voorrang krijgen.
Matthijs:
Ja en er hier vrij veel onderbouwen in de regio zitten, bij Zeist. Ik hoor van andere zevende klassen leerkrachten wel van dat daar, bijvoorbeeld Waldorf Utrecht, is er ook één. Daar komt er heel veel van regulier. Met dus ook het gevolg dat er echt heel veel leerlingen in de klas zitten die bijna letterlijk van toeten nog blazen weten, wat betreft muziek.
Hanna:
Klopt.
Matthijs:
Nog nooit gezongen hebben of amper. En dan zit je ineens daar met je 13 jaar voor het eerst en dan moeten gezongen worden met ook nog een groep leerlingen die wel van de vrijeschool komt en dat dus wel gewerkt is. Maar merk je dat ook, dat heterogene?
Hanna:
Ja.
Matthijs:
En is dat dan ingewikkeld?
Hanna:
Ja, ik kan niet zeggen dat het geen uitdaging is. Waarbij het ene kind zich daaraan laaft, dus die kijkt om zich heen, die hoort een bak geluid, vaak ook loepzuiver. Ik heb nu één klas, die zingt zo... Zevende klas, die zingt zo zuiver. Ieder kind zingt op toon, dus ook als ze bij mij aan de piano komen, ik wilde gewoon even iedere stem individueel horen. Ik zei: ja, dit heb ik gewoon nog nooit meegemaakt dat een klas zo goed pitcht. En dat geeft hun natuurlijk enorm veel energie. Daar worden ze heel blij van, want dan denkt ze: Waar heeft ze het over? En dan leg je dat uit en dan... Oh, oh. Dat is gewoon een onbewust gegeven. Maar als dat niet zo is, wat is ook wel gebeurt, zijn het dus kinderen die kijken om zich heen en die denken: Huh? Wow. Ja, sommigen kunnen daarvan schrikken. Anderen die wentelen zich als het ware in die klank. Sommigen gaan meteen enthousiast meedoen. Er zijn ook wel kinderen die ook wel kunnen zingen. Het is niet standaard van: je komt van het regulieren, en je kan niet zingen. Maar, soms ligt daar wel een drempel voor die kinderen.
Matthijs:
Maar je zegt die mentoren, dus de klasseleerkrachten van zeven, acht of zeven, die doen daar heel veel werk om daar een groep van te maken. En andersom kan ik me ook voorstellen, dat je juist met die muziek daar een hele belangrijke rol speelt. En dat ze natuurlijk in allerlei opzichten verschillen tegenkomen onderling, die horden die genomen moeten worden, waarbij het zingen daar één van is. En als ze die eenmaal genomen hebben, dat dat zingen juist ook hele groepsbevorderend werkt.
Hanna:
Ja, absoluut.
Matthijs:
Zie je dat gebeuren zo in de loop van die eerste maanden? En verschilt dat dan nog wel eens per klas? Is dat een soort wetmatigheid van ja, dat gaat eerst zo en daarna gaat het zo?
Hanna:
Nee hoor. Nee, er is een klas bijvoorbeeld nu die zegt: gaan we nu alweer zingen? En dan ga ik zeker daarmee door. En ik vraag ook wel eens aan een leerling: Wat zou je dan willen? Want ze mogen ook wel iets aandragen. Stel dat ze een keer heel graag willen iets met ritme willen gaan doen of willen trommelen. Nou, er is mogelijkheid, er is ruimte. Maar ook goed om je gewoon op je eigen pad te houden en laten zien van: ja, we gaan daar naar toe. En dat vinden ze ook wel interessant. oh, je hebt een doel. Dat snappen ze soms niet.
Matthijs:
En wat leg je daar dan uit, wat het doel is?
Hanna:
Nou, dat je dus werkt aan een opbouw en dat je dus niet alleen maar aan het zingen bent, maar dat je ook echt toewerkt naar bijvoorbeeld meerstemmigheid, naar een gelijke klank. Dat je probeert samen te werken, dat je op een gegeven moment krijgt dat een leerling in de negende klas alleen zingt. Sommigen die durven dat acuut in de zevende, dus daar maak ik dankbaar gebruik van. Want in de negende is dat heel anders. Zijn er kinderen die blokkeren, bijvoorbeeld.
Matthijs:
En is dat een doel of een streven dat ze dat in de negende allemaal moeten doen?
Hanna:
Jazeker. Sterker nog, dat is de enige toets die ze krijgen bij ons op school. Dat is een zangtoets. En dan zingen ze dus wat ze hebben ingestudeerd in de klas meerstemmig aan de piano, met twee, drie kinderen tegelijk, leerlingen. En één lied mogen ze zelf uitkiezen, zelf voorbereiden. En die oefenen ze dan ook een paar keer in de les, aan de piano. En dan zingen ze die dus, presenteren ze het.
Matthijs:
Ja, want de rest van de klas luistert daarbij.
Hanna:
Nee, Nee, alleen de docent is erbij. En ja, het maatje van die leerling.
Matthijs:
Precies. En is dat veiliger voor ze om het zo in die kleine setting te doen?
Hanna:
Oh, dat is zo'n opluchting, want eerst zie je ze wit wegtrekken. Want dat moeten ze dan voor de klas doen, denken ze. Maar dat is niet zo. Ze mogen gewoon met hun maatje, mogen ze dat op een 10 minuten moment doen in of rond de toetsweek.
Matthijs:
En in de zevende klas, kan ik het een beetje samenvatten. Als dan dat zelfbewustzijn, is er ook nog wat minder waardoor ze eigenlijk soms nog wat naïef daar staan en gewoon, gewoon zingen zoals ze dat gewend zijn.
Hanna:
Absoluut.
Hanna:
Vooral die jongens die nog helemaal in de hoogte kunnen komen, die laten dat gewoon horen. Ze zeggen: mag ik verder? Mag ik verder? Mag ik hoger? En dan ga ik hoger met een toonladdertje en dan... Ja, dat dat zingen ze vol uit.
Matthijs:
Dus jij ziet eigenlijk bij dat zingen nog niet zo heel veel verschil tussen hoe die meiden dat doen en hoe de jongens dat doen in de zevende klas.
Hanna:
Nee. Waarbij dat dus dit jaar ook een meisje was die echt al heel angstig aan de piano stond. Die ook zei: Ja, ik kan niet zingen. Zei ik: iedereen kan zingen.
Matthijs:
Je ziet die meiden natuurlijk vaak op wat vroeger zijn in hun hele ontwikkeling.
Hanna:
Precies.
Matthijs:
Dat vind ik ook wel eens bijzonder om te zien, als je die zesde klassers rond ziet lopen. Dan zie je van die enorme meiden en dan echt nog van die best kleine jongens. Trouwens ook soms kleine meisjes dat je denkt: dat scheelt gewoon 40 centimeter of zo. En niet alleen in lengte, maar ook in gedrag en eigenlijk in alles. En dan vind ik dat wel verrassend hoe dat toch gewoon samen de dingen doet. En ook die groten, gewoon met die kleintjes, die voelen zich helemaal niet verheven, terwijl ze het wel zijn. Dat vind ik heel grappig om te zien. Ik heb een keer met een kinderkoren festival een mooi verhaal gehoord van iemand dat ging over zingen met jongens en meisjes samen. Het ging eigenlijk over de Engelse koortraditie die van oorsprong natuurlijk jongenskoren had. Heel populair. Heel veel jongens die dat deden. Hoge kwaliteit, geweldig niveau. En dat daar onder invloed van de emancipatiegedachte ook op een gegeven toegang voor meisjes moest komen. En wat er gebeurde, de meisjes stroomden naar binnen en de jongens stroomden er af. Waarbij ineens dat hele jongenskoren ding ineens om zeepgeholpen was En daar hoor ik dan de theorie bij van: op een bepaalde leeftijd moet je eigenlijk jongens en meisjes, zou het beter zijn als je jongens en meisjes niet samen laat zingen.
Matthijs:
Als je ze, de jongens in hun jongens energie met elkaar en de meisjes in hun meisjes energie met elkaar, maar niet die twee energieën omdat ze zo enorm verschillend zijn, samen laten brengen in dat zingen waar het toch zo kwetsbaar en open en zo dat is. Ik heb het ook wel eens geprobeerd met mijn koor dat ik dan de zesde klas had met de jongens helemaal aan de linkerkant, meisjes helemaal aan de rechterkant. Je kunt ze ook veel meer als groep aanspreken eigenlijk. En ik heb ook één keer met de jongenskoor gewerkt.
Hanna:
Maar ze waren wel in dezelfde ruimte.
Matthijs:
Daar waren ze in dezelfde ruimte.
Hanna:
Dat maakt nog wel uit.
Matthijs:
Jawel, maar ze stonden niet door elkaar heen. Ze zaten wel echt in hun eigen energie-gebiedje.
Hanna:
Bubbel.
Matthijs:
Bubbel, precies. En ik heb ook een keer met dat jongenskoor even een soort project gedaan. Ja, het is echt een ander verhaal met de jongens. En bepaald stuk doet gewoon niet mee, in positieve zin. Maakt het niet onrustig. Ze komen met elkaar. Het lijkt heel...ruw en onbesuisd en dat allemaal. Dat waren vijfde en zesdeklassers toen. Maar als je goed kijkt, dan is er zoveel commitment met elkaar om dat te doen. Bijna, misschien wel helemaal te vergelijken met hoe dat in een voetbalteam gaat of in een woest spel zo op het op het schoolplein. Maar jij voelt in zo'n zevende klas eigenlijk helemaal niet de behoefte om dat te doen omdat je denkt dat is gewoon een heel erg ingewikkeld verhaal, die twee groepen samen.
Hanna:
Het is niet nodig, denk ik. Maar ik herken je verhaal heel sterk en ik zie het dus gebeuren of in de negende en in dit geval heb ik nu een tiende klas, daar zijn wij een koorstuk vierstemmig aan het instuderen en ik kom gewoon niet in de les toe aan vierstemmig. Het mengt niet. Het instuderen is echt heel taai en geeft geen energie, voor mij niet, maar ook zeker niet voor die leerlingen. Nu gaan ze bij het koor, zijn ze met hetzelfde stuk bezig. Dan gaan ze mee in de grote stroom. Maar ik zie gewoon dat ze niet weten waar ze het over hebben. Dus wat heb ik gedaan? Ik heb op een gegeven moment gezegd: Oké, vandaag zijn de meiden aan de beurt. En dan mogen de jongens gewoon een uur wegblijven En andersom dus ook. En ik herken dus heel erg wat jij zegt in energie, waarbij die meiden dus nog meer de ruimte nemen, als ze alleen zijn. Nog meer kakelen. Maar dan kan ik ze dus ook echt daarop aanspreken. Zijn die jongens veel meer in hun kracht en in hun rust. En dan zeggen ze: Dan gaan wij dit wel doen.
En dan gaan ze dus ook echt... dan zeggen ze: Oké, wat moeten we doen? Waar zijn we? En dan gaat opeens een lampje aan of zo.
Matthijs:
Mooi, hè?
Hanna:
Ja, heel bijzonder. Echt heel bijzonder. Ik dacht van: oeh, met die jongens, dat zal het wel boksen worden. Maar dat was dus met de meiden.
Matthijs:
Grappig, hè?
Hanna:
Ja, als groep. En uiteindelijk zijn die meiden daar dus ook aan gewend dat ik het vaker apart doe. En dan zeggen ze: Nou, dan gaan we dus gewoon maar aan het werk. Dan is dus een bepaald soort ruis, een spanning, is dan weg. En dan ja, wat is er dan nog? Ja, je partituur en de piano en de juf toevallig. Dan gaan we maar zingen.
Matthijs:
Ja, gewoon datgene wat moet gebeuren.
Hanna:
Ja.
Matthijs:
In de vierde klas begin je met de eerste meerstemmigheid in de vorm van canons. In de vijfde klas komt er een stem bij, echt zelfstandige stemmen. De zesde klas kan al iets polyfoner worden, dat is niet allemaal hetzelfde ritme lopen. We zouden zeggen: nou, in de zevende klas dan komt dat erbij, in de achtste klas komt dat erbij. En dan straks richting de het tiende en de elfde, dan gaan we het Requiem van Mozart doen, want dan hebben we zo die weg naar steeds complexere meerstemmigheid hebben gelopen. Maar is dat zo? Hoe is dat in de zevende klas? En want ik zie zelf in de zesde klas al een soort afvlakking van die stijgende lijn. En dan zie ik het met fluiten dat dat nog wel goed werkt. Dus daar kan ik dan heel mooi met mijn tenoren en alten en sopranen en bassen spelen. Dat vinden ze prima en daar hebben ze ook... Dus de oren zijn er wel, voor die meerstemmigheid. Maar in het zingen zie je een soort terug treden. Dus dan ben ik heel benieuwd hoe je dat in die zevende klas doet.
Hanna:
Ja, dat is wel mooi dat je dat zegt, want ze staan dus op een brug en ze gaan over die brug. En ik heb dus ook het idee dat ze ook even terug naar zichzelf moeten om over die brug te kunnen komen. Want in de zevende zingen wij helemaal niet meerstemmig. Althans, we gooien er wel een canon in. En dan de ene klas kan dat veel beter dan de andere klas. Maar echt op het curriculum zitten met: we gaan meerstemmig zingen, dat staat er niet in bij ons. Omdat je toch merkt ze zijn nog heel erg om zich heen aan het kijken, je wil een veilige sfeer creëren. En daarnaast zijn ze ook een beetje zoekende naar hun stem, naar hun eigen lijf. Waar sta ik? Waar ben ik in de groep? En als je dan met een klas snel resultaat hebt door een mooi stemmig stuk te zingen, een lied te zingen, dan heb je 100 procent winst, aan het begin.
Matthijs:
En dan is het voldoende als dat eenstemmig is.
Hanna:
Ja. En dan komt er opeens een jongen die speelt bij een open podium in de zevende klas op de piano, Elton John. En dan gaat het hele publiek aan en dan komt de volgende dag een jongen met een andere jongen met dat stuk. Mogen we dit ook zingen? Nou en dan, dan komt er een soort energie vrij van: Oh, kan dat ook? Zo van: we kunnen het ook zelf aandragen en vanuit onze eigen impuls musiceren. Ja, dat geeft heel veel plezier in een klas.
Matthijs:
En ga je daar altijd op in, als ze zo met hun eigen muziek komen?
Hanna:
Ze mogen het altijd aan dragen, maar ik kijk altijd wel: Is het geschikt? Past het in de lijn waar we... Want ik per klas doe ik wel andere dingen. Dus past het bij deze klas? Ja, vaak kan een liedje niet heel veel kwaad, maar als bijvoorbeeld een tekst in staat waarvan ik denk: nou, dat ga ik niet zingen. Of er zit veel te veel rusten in, dan zakt de boel in mekaar. Ja, dan zeg ik: nou, misschien kunnen we deze nog even op de plank laten liggen.
Matthijs:
Ja, veel popnummers die... daarbij is de zang natuurlijk zo gedragen, eigenlijk door de hele band en de beat die eronder zit. Terwijl als je die weglaat en dat vereenvoudig je tot een pianootje of zelfs niet eens.
Hanna:
En daar hebben ze geen idee van.
Matthijs:
Dan blijft er soort van niks van over.
Hanna:
Nee, niet eens.
Matthijs:
En misschien moet je ook over sommige muziek zeggen dat het eigenlijk gewoon niet zo veel om het lijf heeft.
Hanna:
Het is niet zo interessant.
Matthijs:
Maar voor hun wel. Mijn vraag is eigenlijk: breng jij echt een scheiding aan van dit is muziek lekker voor thuis, weet je, luister dat en zing dat met z'n tweetjes met je koptelefoon op thuis. En op school doen we toch andere muziek. Want dat hoeft niet hetzelfde te worden.
Hanna:
Nou ja, wat ik nu hoor, wat ze in de negende klas zingen. Ik ken het nummer zelf ook niet, maar dan denk ik, daar had ik nooit voor gekozen omdat het echt een ballad is waar het glazuur van je tanden springt, bij wijze van.
Matthijs:
Qua tekst?
Hanna:
Ja, en qua gezapig. Ja, tekst maar ook de hele melodie dat je denkt: En nog een keer, en nog een keer, en nog een keer en nog een keer en nog een keer en echt vijf coupletten lang.
Matthijs:
Wat goedkoop.
Hanna:
Ja, dat ik denk: Wat doe je daar dan nog mee muzikaal? Ja, daar komt een cello bij en dan denk ik: Ja, nee, dat is niet wat ik bedoel.
Matthijs:
Ja, precies.
Hanna:
Maar goed, ik zie dus dat die kinderen daar absoluut op aangaan. Zeker in de negende. En dan kunnen ze zo wegdromen. En dan zie je die ogen zo'n beetje naar achteren zakken en dan zijn ze helemaal in een soort hogere sfeer. Denk ik: hoe fijn is dat, als dat even kan? Maar daar hadden we het niet over.
Matthijs:
Mijn vraag was: als ze met iets komen, ga je er dan eigenlijk doorgaans op in en fijn dat je zelf met voorstellen komen? Of zeg je van: laat sommige dingen ook maar gewoon thuis en op school doen wij dit.
Hanna:
Ja, nou dat is…
Matthijs:
Dat zit er een beetje tussen in als ik het zo hoor.
Hanna:
Ja, precies, want het is niet zo vastgetimmerd omdat wij zingen toch wel heel... Mijn idee is ook, als je ze aanspreekt op hun belevingswereld. Ik zing dan echt... Ja, ik durf het bijna niet te zeggen. Maar ik zing dan een liedje van Britney Spears: Hit me, baby, one more time. En dan mogen ze aan het eind zo 'boom' zeggen van 'hit me'. En ja, dat is natuurlijk een hele foute tekst ook eigenlijk. Maar ja, ze vinden dat heerlijk om even dat 'babe, babe', dat aan het begin mogen ze dat even zo doen op z'n Amerikaans. En ja, dan raken ze ook in beweging en dan gaan ze ook openstaan en dan kan je er ook weer iets anders tegenover zetten. En nou ja, dat probeer ik dus ook steeds om en folkloristische muziek en oude muziek. Ik heb ook wel eens Händel met ze gezongen. En dat kan dus omdat er dus iets anders tegenover staat of iets uit een film, bijvoorbeeld de Les Choristes. Ja, dat vinden ze prachtig. Het idee dat je iets uit een film zingt.
Hanna:
Daar gaan ze ook van open en dan horen ze de melodie en dan heb je ze helemaal.
Matthijs:
Ja, dat herken ik hoor, dat je door de variatie eigenlijk steeds ruimte schept voor weer iets anders. Dat het eigenlijk de afwisseling echt doet eten. En dat is eigenlijk iets te goedkoop gezegd, want je zou ook kunnen zeggen de afwisseling die maakt dat het ene lied op een andere manier op die ziel inwerkt dan het andere lied en het volgende lied. Dus eigenlijk ben je gewoon heel veelkleurig bezig op dat gebied.
Hanna:
Ja, en ieder kind vraagt ook wel wat anders. Dus sommige kinderen, ik kan wel zeggen, ik denk twee-derde van de klas vindt het wel lekker om af en toe een langzaam nummer te zingen. Maar er zijn ook wel echt tempomakers die zeggen: Nou en nu wil ik eens... Ja, dat zeggen ze niet, maar dat weet je dan, dat zie je dan. Die willen wel een pittig stuk.
Matthijs:
Ja, dus je bedient ook gewoon de verschillende temperamenten of karakters.
Hanna:
Ja, zeker.
Matthijs:
En hoe doe je dat dan met jouw eigen voorkeur en jouw eigen temperament? Tenminste, als ik heel eerlijk ben en naar mezelf kijk en naar mijn repertoirekeuze kijk, dan denk ik: nou, daar zit ik zelf ook wel behoorlijk in eigenlijk hoor. Eigenlijk zelf zo, dat nummers of liederen die ik eigenlijk niet zo interessant vind, die mij niet zo boeien, dat ik die bijna ook niet voor mekaar krijg om die dan ook met kinderen op school te zingen. Ik moet er zelf gewoon enthousiast van worden op aangaan en dan kan ik het ook met de kinderen doen en dan worden zij ook enthousiast. Maar dat betekent toch ook dat het misschien wel een bepaald segment is van repertoire, wat dus niet gedaan wordt. En hoe is dat bij jou? Heb jij in dat geval wel een grote bandbreedte.
Hanna:
Ik vind dat wel heel logisch dat je dat zegt, want ja, tuurlijk, ja, resoneert ieder mens met bepaalde muziek. En een docent natuurlijk ook. Ik heb dat ook. Maar ik weet wel waar mijn valkuil zit, waar ik sneller aan refereer, of naar teruggrijp. En dan denk ik: nee, ga nou maar eens iets nieuws zoeken. En zoek me nou maar eens een keer iets in vijf-achtste maat, bijvoorbeeld. Als ik heel veel moet gaan tellen, vind ik lastig, om echt ritmisch iets uit te voeren. Nou, dan ga ik dat dus doen. Dus dan daag je mezelf wel uit. Ik probeer wel ieder jaar in ieder geval, een nieuw repertoire aan te boren.
Matthijs:
Ja, want je hebt natuurlijk ook je jokers, die nummers, waarvan je zeker weet, als die doe, dat is gewoon gelijk prijs. Op een gegeven heb je heel veel jokers.
Hanna:
Dat iemand zei, dat was volgens mij jouw zoon, die zei: doe je dat nog steeds? Maar dat is ook wel zo, want wij hebben bijvoorbeeld op school ook wel eens iemand die te overlijden komt. En dan is er een begrafenis. En dan hebben wij dus bepaalde liederen die a) snel in te studeren zijn en b) zeer geschikt zijn voor een afscheid. Ja, waarom zou je die veranderen?
Matthijs:
Ja, ik denk dat ook hoor. Ze zijn heel geschikt, heel passend. Ze komen gelijk aan. Dat joker is eigenlijk een goed woord. Ze zijn gewoon echt heel geschikt. En je hebt natuurlijk het roulerend leerlingenbestand. Dus ja, vier jaar geleden, over vier jaar heb je totaal andere leerlingen. Waarom zou je niet ook die de jokers laten zingen omdat ze gewoon echt heel goed zijn. En dan is het natuurlijk oppassen van: of ga je dan zelf op een gegeven in de gemakkelijke gewoonten vastroesten?
Hanna:
Nou ja, dat is wel wat je zegt van ja, daar krijg ik energie van. Wij hebben soms koorstukken, daar zijn wij het hele jaar mee bezig. Bijvoorbeeld nu, het Stabat Mater van Jenkins. Ja, als je als je dat niet ligt, dan heb je wel een probleem. Want dan moet je je dus iedere keer weer opdraaien, stimuleren, om dat dus weer goed en positief aan te pakken.
Matthijs:
Als docent, bedoel je?
Hanna:
Als docent. Ja, want je moet die grote meute wel aanzetten en meenemen in die hele lange lijn. En ik moet zeggen, eerlijkheidshalve, de leerlingen smullen ervan. Het heeft iets dichter bij hen dan klassieke muziek, het heeft ook iets heel magisch. Er zitten heel veel talen door elkaar bij het Stabat Mater.
Matthijs:
Ja, wat exotische dingen zitten er ook in.
Hanna:
Ja, precies. Een Arabische zangeres komt er ook bij later. Dat vinden ze heel bijzonder. Maar waar ze absoluut bij zweren en dat voelen wij, zweren, dat voelen wij ook als docenten, is de echte grondige klassieke muziek. Waar ze in de eerste instantie twee maanden denken: wat is nou Mozart? Wat is nou een Requiem? En aan het eind zit dat zo in hun vezels. En dat weten wij inmiddels van ja, eerst dan moet je dan door de weerstand en dan kom je in het paradijs.
Matthijs:
Zou het kunnen, bedenk ik me nu, eigenlijk pas voor het eerst dat je op de bovenbouw, op de middelbare basisschool, toch dat slotconcert eigenlijk meer als een doel hebt, en ook het hele muziekonderwijs, dan dat op de basisschool zou zijn? Want ik geef natuurlijk mijn schoolkoor ook de koorconcerten. En ik weet van mezelf dat ik daar eigenlijk pas nu, zo rond deze tijd, maart, eens over na ga denken: wat ga ik dan doen? Hoe zou ik het organiseren? Eigenlijk is het natuurlijk een hele mooie fijne presentatie voor de ouders, voor de kinderen, om het dus even echt op het hoogste plan te brengen. Maar de rest van het jaar draait het bij mij echt om die lessen zelf. Daar gebeurt het en dat heeft nog helemaal niet een vooruitblik naar het concert. Maar ik kan me voorstellen dat op de middelbare school toch anders is.
Hanna:
Ja, als ik daaraan denk, hoe jij het aanpakt, dan is het te fragmentarisch. Als je zegt: we gaan iedere koorles gaan we vier, vijf losse stukken doen. Dat kan wel, denk ik. Maar daar is eigenlijk de groep te groot voor, om dan zo wendbaar te zijn, zoals jij zo wendbaar bent met die jongere kinderen. Die kinderen nemen het ook sneller op. Die doen acuut na wat jij ze voorleeft en dat is bij ons veel taaier. Dus er zijn daar een paar jongens, die moeten soms eerst gewoon wakker worden überhaupt. Of die zijn gewoon even helemaal in andere sferen. Of ze hebben gewoon echt dikke weerstand. Je tapt toch met een ander... Je zit gewoon in een andere populatie. Ik denk als je dus zo'n harde lijn hebt, zoals een Stabat Mater, dan kan je dus zeggen: we hebben wel verschillende delen, maar het houdt allemaal hetzelfde koordje vast.
Matthijs:
Ja, ik zie ook op de onderbouw dat die kinderen eigenlijk veel meer, of meer, ik weet het dus niet precies, op de bovenbouw, maar ik zie ze daar eigenlijk heel erg in het moment zijn: wat je doet, dat doen zij en dan doe je daarna dat, dat doen zij dat. En ik denk zelfs dat als je ze na afloop zou vragen: wat hebben we eigenlijk allemaal gedaan tijdens de les? Nou, dat ze misschien nog twee dingen weten. Het is net als je naar het journaal kijkt en na afloop denkt: welke onderwerpen waren er eigenlijk? Nou, dan weet je er nog twee, of drie. Maar dat met die kinderen, als ze muziek aan het maken zijn, dat het zo eigenlijk met maar weinig bewustzijn of weinig helicopterview gebeurt, of zelfbewustzijn, dat ze het gewoon ondergaan, doormaken en voilà naar de volgende les. Ik zit altijd een beetje te zoeken: waar is het moment dat ik ze langzamerhand die stip op de horizon moet geven van: jongens, daar gaan we naartoe, want we hebben straks een koorconcert waarvan ook heel veel kinderen zich nog geen voorstelling kunnen maken. Dus ik denk dat die oudere kinderen daar zich veel beter een voorstelling van kunnen maken en dat dat meer van waarde voor ze is om daar het hele jaar naar uit te kunnen zien.
Hanna:
Nou, het beeld wat je schetst, je zegt dan dat sommige kinderen hebben geen idee ervan. Bijvoorbeeld in jouw geval de vierde klas. Bij ons is dat de tiende klas. En zeker door corona was het even helemaal weg. Niemand wist meer wat het was.
Matthijs:
Want ook de twaalfde klassen had het nooit gedaan.
Hanna:
Ja, de twaalfde klassen hadden dan, ja, als ik het goed heb, die hebben dan in het negende voorprogramma gehad. Die hadden dat nog wel dan. Ja, maar sowieso. Ja, dan hebben ze wel eens een concert gehad. Maar ja, dat is dan ook alweer weggezakt. En waarom doen we dit nou weer iedere week? En pas echt zo naar zo'n koorweek toe, dan snappen ze pas van: oh, dit is een groot stuk. Oh, die delen gaan achter elkaar. Oh, er komt een orkest bij. Nou, dan gaat er een wereld open. Maar dan worden er dus ook pas leerlingen wakker. Oh, zingen wij Jenkins? Oh, dat wist ik eigenlijk helemaal niet.
Matthijs:
Ja, sterk hè?
Hanna:
Dat iemand vraagt: wat zingen jullie? Stel een ouder die dat dan vraagt. Ja, dat weten ze dan niet.
Matthijs:
Geen idee.
Hanna:
Natuurlijk zijn er ook leerlingen die dat absoluut meteen vanaf dag één wel weten. Maar daar zitten dus wel grote verschillen in.
Matthijs:
En heeft dan corona daar ook echt een behoorlijk gat in geslagen? Hebben jullie echt weer het idee gehad ik moet weer gaan opbouwen en een traditie is eigenlijk in één keer weg. Hoe was dat?
Hanna:
Nou, valt mee. Het viel me mee. Ik dacht: oh, jee, oh jee.
Matthijs:
Want heb je les kunnen geven in die periode, of helemaal niet?
Hanna:
Bijna niet. Nee, we hebben ook een tijd online gedaan. We hadden, ja, toen dachten we ook van: wat zijn we nou eigenlijk aan het doen? Het is wel goed, dat was ook wel het idee van school uit van: Je moet wel de leerlingen af en toe zien, want ze verpieteren daar achter die camera. Dus af en toe contact hebben is goed. We hebben ze vooral muziek laten luisteren.
Matthijs:
Ja, want als die kinderen achter een laptopje in hun eentje aan het zingen zijn, dat draagt niet echt iets bij, toch?
Hanna:
Nee, nee, ik heb één keer proberen live met ze te zingen. Nou, dat was zo kansloos. Ik heb er ook heel hard om moeten lachen en zij volgens mij ook. Nee, maar het valt mee. Ja, als je ook die draad zelf ook weer oppakt dan voel je toch dat er een soort fundament is. Ja, dat is ook wel heel sterk bij ons in school, dat er altijd ruimte is gemaakt voor muziek. Altijd. En hebben wij natuurlijk, wij, muzieksectie, ontiegelijk geluk dat onze muziekdocent de conrector is. Want die is gewoon een vaandeldrager al... Nou, hoe lang?
Matthijs:
Je hoeft het niet op de kaart te zetten of op de kaart te houden. En het gaat niet ingehaald worden door allerlei nieuwe initiatieven, allerlei nieuwe dingen op het curriculum.
Hanna:
Nou dat. Want dat heb ik dus wel op veel scholen kunnen zien, dat muziek, oh leuk als het erbij komt.
Matthijs:
Je hebt wel eens tegen me gezegd: de randvoorwaarden zijn van wezenlijk belang om goed muziekles te kunnen geven. En heb je toch ook niet soms het gevoel, bijvoorbeeld bij koor, want jullie hebben ook koor zeven-acht of koor zeven. Wat hebben jullie?
Hanna:
We hadden koor zeven en toen heb ik op een gegeven moment gezegd: dat dat moet je niet willen, want je wil eerst een klas hebben en niet een koor.
Matthijs:
Juist. Dus de zeven klassen hebben geen koor.
Hanna:
Dus nu hebben ze alleen twee... nou alleen, ze hebben twee uur in de week muziek.
Matthijs:
Ja, en acht heeft dan koor.
Hanna:
En acht heeft één les in de week en één les koor.
Matthijs:
En daarbij heb je het gevoel dat je voldoende de randvoorwaarden vervuld hebt, om dat gewoon optimaal te kunnen doen? Ik hoor ook wel eens uit het land verhalen van mensen die een middelbouw koor lesgeven. Ja, en dat dan eentje moet het doen met vier zevende klassen die van allerlei verschillende locaties aankomen, het laatste uur van de dag en niemand die daar iets met aanwezigheid kan controleren. En zoek het maar uit. En de pianist, die was trouwens ziek. Weet je, zo.
Hanna:
Ja, dat herken ik wel.
Matthijs:
Dat lijkt me namelijk niet te doen, eigenlijk.
Hanna:
Nee, het is niet zo gezond. Voor jezelf niet en voor die leerlingen ook niet, want je faciliteert eigenlijk gewoon chaos. Ja. Nee, dit is niet wijs. Als je niet een betrouwbare pianist hebt... nou ja, ziek worden kunnen we allemaal, maar je moet wel iemand hebben waar je echt op kan leunen. Ik hoorde jou ook zeggen van: ik doe het lekker zelf. Nou, dat heb ik een tijd ook gedaan. Dat werkt wel, waarbij je ze dan niet meer kan aanzwengelen. Sommige leerlingen moet je dan even nog, als je er langsloopt, zo'n gebaar maken van: kom maar. En als je achter de piano zit, dan kan dat niet. Al kan je met je mimiek ook veel doen en met je pianospel kun je ook veel doen. Dus kies daar heel bewust voor, of je dus een pianist neemt of niet. Maar in ieder geval, aan het eind van een dag een koor roosteren, nou, dat is echt verboden. Ja, want je voelt al, ze hangen al met de benen buiten, want ze willen naar huis. En zeker als ze van heinde en verre komen, dan heb je in het begin al chaos, omdat de ene klas komt na de andere binnendruppelen. Dus wanneer kan je dan effectief beginnen?
Matthijs:
En wat die pianist betreft. Ik heb dezelfde ervaring niet omdat ik zelf speel en dat ik het daarmee gewoon lekker aan de hand kan hebben. Maar ik hoor ook wel eens verhalen van mensen die al jarenlang met dezelfde pianist werken. Gewoon een echte goede pianist, die weet wat begeleiden is, die dingen makkelijk van het blad leest en een hele goede chemie heeft met jezelf als je ervoor staat. Ik denk daar dan altijd bij, dat is natuurlijk goud om te hebben en dat is ook goud om te behouden. Dus je moet je moet die pianist eigenlijk in de watten leggen. Die moet onder goede voorwaarden daar zijn en niet een soort veredeld vrijwilligerswerk, op onmogelijke tijd.
Hanna:
Ja, absoluut. En ook niet alleen investeren in je pianist en wat je zegt in de watten leggen, maar ook investeren in de verstandhouding. Want anders zie je elkaar dat laatste uur van de dag, even en dan hop, spring je in de muziek. Maar heb je wel een band? Heb je wel dat je elkaar begrijpt? Of kan je van tevoren tempi afspreken? Dat als je zelf een beetje gestuwd ben en te snel inzet, dat de pianist dan ook meewerkt door een beetje te drukken. Dat kan je allemaal van tevoren afspreken. Ja, heb je daar tijd voor? Neem je daar tijd voor? Mag je dat tijd voor nemen? Je moet echt goed voor jezelf zorgen. En voor je pianist, hoor.
Matthijs:
Nee, precies. Dat kan groeien en dat kan niet alleen maar groeien door dat in die les zelf te doen, maar ook daaromheen voor te bereiden, samen met elkaar gewoon te spreken. Daar samen voor te staan eigenlijk, voor dat stuk.
Hanna:
Ja, dat denk ik wel, al heb ik het zelf nog nooit gedaan. Maar ja, ik zie nu dus door de jaren heen dat dat gewoon niet gebeurt. Ja, dan mis je gewoon een stuk verzorging.
Matthijs:
Maar je noemt net het voor jezelf zorgen. Jij staat al vijftien jaar voor de klas. Ik sta nog een tijdje langer voor de klas. Dat is natuurlijk eigenlijk een soort, nou in ieder geval jaarlijks, maar bijna zelfs dagelijks, afstemmen van: hoe is het met de energiebalans? Hoeveel energie stop ik erin en hoeveel energie krijg ik er ook weer uit? Dat het niet een leeglopen is. Denk jij nou dat het met dit vak, dus het muziekles geven aan klassen, dat dat extra moeilijk is om die balans goed te vinden? En heb jij daar dan nog suggesties of hoe doe je dat eigenlijk zelf, om te zorgen dat je niet les na les en dan aan het eind van de week en dan in het weekend trouwens ook nog wat hebt en dan de volgende week weer, waardoor je, ik weet niet, verschraalt en leegloopt, het eigenlijk op je tandvlees doet, geen ruimte meer over hebt. Hoe doe jij dat?
Hanna:
Ja, nou ja, je moet sowieso...
Matthijs:
Wat zie je gebeuren om je heen?
Hanna:
Ja, nou ja, het is natuurlijk en een onderwijs kwestie van hoe verzorg je jezelf en hoe hou je jezelf staande en hoe hou je je ook fris? Want dat is ook nog een ding, dat je niet alleen maar je lessen staat af te draaien. En in muziek is natuurlijk heel veel zenden. Want bij een taal kan je zeggen: lees even dit hoofdstuk door.
Matthijs:
En met zenden, bedoel je, je staat de club in beweging te krijgen?
Hanna:
Ja, je kan niet zeggen: Zing even een stukje voor jezelf.
Matthijs:
Over 10 minuten gaan we verder.
Hanna:
Ja.
Matthijs:
Oké.
Hanna:
Je bent toch altijd wel de dirigent, al sta je niet te dirigeren, maar je bent wel in charge. Je staat aan. Ik houd daar rekening mee. Je kan bijvoorbeeld een heel jaar zingen, maar je kan ook in die lessen, kan je ook zeggen: nou, dan beginnen we met zang. Zo de eerste drie maanden, dan zijn ze gezet, zeg maar. En dan kan je eens gaan kijken van: oké, wat kan ik met deze klas? En dan pas ik mijn programma of aan of niet. Maar ik heb nu een klas, die mag wel wat meer hooi krijgen.
Matthijs:
En wat voor soort dingen ga je dan doen met ze? Want je zegt: we gaan vol inzetten op het zingen, want er moet een eenheid gevormd worden. Dat zingen is daar een heel goed middel voor, om dat te bereiken. Een soort afstemmen op elkaar, bij elkaar komen, oren open, gezamenlijkheid, aanstaan. En wat komt er dan nog, of wat kan er dan nog meer bij komen in de loop van de zevende en de achtste?
Hanna:
Precies, dus ook op jouw vraag van: Ja, dus wat kan er bij komen? Maar ook van hoe verzorg je jezelf dan? Want het is inderdaad, als je al die lessen achter mekaar geeft, dan hoor je zelf soms vier, vijf, zes keer op een dag inzingen met een groep. En ik probeer niet iedere les een nieuwe inzinger te doen, maar iedere week. En herhaling is natuurlijk ook goed, want dan herkennen ze het en dan zingt het makkelijker. Dus je moet altijd iets nieuws, iets ouds, iets vertrouwds. Nou dat. Maar als je dan zes lessen achter elkaar alleen maar aan het zingen bent, dat is best wel intensief.
Matthijs:
Voor jezelf op één dag.
Hanna:
Ja, ja. Dus dan ben je dus eigenlijk alleen maar met die nootjes bezig, want vaak ben je gewoon aan het instuderen. Ja, dan moet je dus ook goed naar je jaarplanner kijken en naar je weekplanner. Je zoomt gewoon eerst heel groot uit en dan zoom je steeds meer in en dan ga je kijken van: wat heb ik nodig om die week door te komen? Dat klinkt een beetje negatief, maar om er fris uit te komen. Je mag wel moe zijn van je werk, maar het moet je ook iets geven. En als je dan kan zingen en daarna even iets anders kan doen, dan verzorg je ook de meerdere aspecten van muziek voor jezelf, maar ook voor de leerlingen.
Matthijs:
Ja, dat lijkt natuurlijk op die variatie waar we het net over hadden in het repertoire. Wat voor de kinderen zeg maar, ervoor zorgt dat het niet dat de energie eruit loopt, maar dat ze iedere keer weer nieuw aan kunnen gaan op het nieuwe repertoire. Zo zoek je dat dus voor jezelf in verschillende werkvormen of verschillende dingen die je in de muziekles doet, verdeeld over de verschillende klassen.
Hanna:
Ja, ik hoorde mijn collega zeggen van: Ja, we zijn nu met Jenkins bezig, maar soms moet je gewoon even andere spijzen aanbieden en dan... Hij zingt nu met de elfde klas, Avé Verum.
Matthijs:
Mozart.
Hanna:
Ja. En dat is natuurlijk weer instuderen. Maar ik denk dat je ook wel kan voorstellen dat een Jenkins studeer je heel anders in dan een Mozart.
Matthijs:
Heel andere smaak, toch?
Hanna:
Totaal anders. Ja, waarbij ook er zit iets heel vertrouwds in Mozart en dat zit gewoon allemaal in ons, waardoor een muzikale lijn veel sneller ook resoneert en dus ook sneller instudeert.
Matthijs:
En dan is dat nog wel nog steeds zingen.
Hanna:
Dan is dat nog wel zingen.
Matthijs:
Welke dingen doen jullie in de zevende, achtste, maar ook hogere klassen aan andere dingen dan zingen? Je vertelde mij toen twee jaar geleden, wat ik erg leuk vond, iets over een hoorspel wat jullie wel eens doen. Maar jullie doen instrumentaal onderwijs, op gitaar en jambe.
Hanna:
Ja, ja. Nou, dan hebben we bewust gekozen voor djembés op school. En daarnaast hebben we ook voor iedere leerling een gitaar. Nou, moet ik zeggen, in de zevende klas wil je dat nog niet, want a: soms zijn de handjes nog te klein. Want natuurlijk, iedereen kan gitaar spelen, maar...
Matthijs:
Het wordt moeilijker dan.
Hanna:
Het wordt wat lastiger en motorisch is het nog best wel een.... Er zijn genoeg kinderen die het wel kunnen, maar er zijn ook genoeg die het niet kunnen. En ze worden er ook een beetje hongerig van. Dus we zetten dat in het tweede jaar in en in het tweede, derde jaar krijgen ze gitaarles en kunnen ze vrij snel, wat ze niet zelf hadden gedacht, kunnen ze akkoorden spelen. En dan kunnen ze dus een bluesje spelen of ze kunnen een riffje spelen en ze kunnen elkaar begeleiden. En ja, zo bouw je dat steeds meer uit van dit is het begin en sommigen blijven daar dan ook in. Dus je kan ontzettend goed differentiëren daarmee en dan kan je steeds uitbouwen. En er zijn ook leerlingen die al heel goed gitaar kunnen. Zeg ik nou, help die club maar eens even aan de gang.
Matthijs:
Ja, maar dat zijn niet altijd klassikale lessen. Dat zijn ook in groepjes dat ze die dan moeten uitzoeken.
Hanna:
Dat is met 30 leerlingen tegelijk gitaar. En dat is wel lastig in een lokaal. Dus wij kiezen vaak ervoor, als het mooi weer wordt, dat we dan de gitaar pakken, want dan kan je dus ook naar buiten. Want je hoort elkaar gewoon niet meer. Je hoort je eigen gitaar niet meer als er 30 gitaren in een lokaal zitten. En djembe, dat kan niet buiten. Tenminste, dat is niet prettig voor de buren, dus dat doen we altijd binnen.
Matthijs:
In welke klas is dat?
Hanna:
Dat is ook acht en negen.
Matthijs:
Dat is grappig. Ik sprak van de week iemand die dat in een zesde klas doet, djembés. En toen moest ik ook denken aan wat jij er wel eens over gezegd hebt van: Goh, dat doen wij in acht en negen. Zes is natuurlijk wel een ander verhaal. Zij doet er vast andere dingen met de djembés dan jullie in acht en negen doen. Maar jullie hebben er vast ook een reden voor om het dan pas te doen. Ik kan me ook voorstellen dat dat voor een zevende klas enorm leuk is en ik moet zeggen, dat wekt natuurlijk heel veel energie. Dat de djembés spreekt dat hele motorische, het samen, dat is van een hele andere orde dan het eenstemmige zingen. Maar je doet het niet in de zevende klas.
Hanna:
Nee, ik kan me wel voorstellen dat mensen dat in de zesde doen. Maar dat is ook een beetje wat jij zegt. Die spanningsboog, die verandert heel erg in de zesde. En dat hebben wij dus ook weer. In zeven zijn ze... eigenlijk voelen ze dan weer een beetje klein. En ook zo'n djembé is dan zwaar, maar dat is allemaal te overleven. Ik bedoel, ze kunnen makkelijk een djembé tillen.
Matthijs:
Je gaat wel dingen doen als het ergens optimaal past. Het kan overal. Optimaal is het dan misschien in de achtste.
Hanna:
Ja en dat jij zegt van: ja, ze kunnen zich lekker uitleven. Dat is wel waar, maar waar kanaliseer je het dan? En met zo'n achtste, dan voelen ze echt een innerlijke drive om op zo'n apparaat te gaan slaan. En de kracht die het teweeg brengt, is best wel intens. Dus er zijn ook achtste klassen die het niet zo goed tegen kunnen. Die vinden het te veel, die vinden het te hard. Sommige kinderen krijgen ook echt pijn aan hun handen, maar dat is ook vanuit het enthousiasme wat ze hebben. Maar sommige kinderen vinden het ook echt te veel. Dus die mogen dan ook soms even een time-out en die gaan dan naar buiten. Dat zal in de zevende nog meer zijn. En waar een achtste dus ook echt zo'n hele dag luistert, wiskunde doen ze in de zevende ook, maar dat is nog meer speels. En in acht wordt het soort van al serieuzer. En dan zo'n djembé, dat geeft zoveel uitademing voor die leerlingen, dat ze er ook daarna weer tegen kunnen.
Matthijs:
Ik vind het mooi bij die djembé en dat zie je bij andere ritme-oefeningen bijvoorbeeld ook, dat dat eigenlijk de enige momenten zijn waarop dat lichaam echt mee moet doen. Daar waar natuurlijk in de eerste, tweede klas, kleuters het hele bewegen op muziek, niet van: we bewegen op muziek, nee, maar de muziek beweegt jou eigenlijk, dat is een eenheid. Het bewegen hoort bij muziek en dat wordt langzamerhand ook steeds meer innerlijk bewegen. Maar je moet toch een beetje oppassen, ook in die onderbouw, in de hogere klassen, dat die kinderen niet allemaal stokstijf op de stoel zitten of stokstijf staan en daar mooie liedjes kwelen. Waarbij eigenlijk alleen maar die bovenkant meedoet en dat lichaam alleen maar een soort statisch instrument is. En dan kan ik me voorstellen dat de zevende en achtste klas, waar natuurlijk fysiek er van alles gebeurt met groei en met een soort totaal nieuwe lijf dat ze moeten gaan bewonen. Dat die zielenbeweging komt met de muziek en dat je dan daar djembés voor gebruikt, zodat ook dat lijf mee gaat doen. Het lijkt mij heel heerlijk voor die kinderen dat dat daarmee ook een soort stroomlijning of impuls krijgt, dat dat mee kan doen. Zie je dat ook gebeuren bij die achtste klassers?
Hanna:
Ja, ik zag net toen je dat zei, zag ik de zevende klassers, als die djembé spelen, dan excarneren ze bijna.
Matthijs:
Ja.
Hanna:
Dan gaan ze meer naar buiten toe.
Matthijs:
Precies.
Hanna:
En bij die achtste dan inderdaad dat fysieke is heel mooi om te zien. Maar dat aardt dus op een bepaalde manier, want ze verbinden echt hun lijf met hun hoofd, want ze moeten ook luisteren. En sommigen gaan dan ook echt nadenken van: hoe gaat dat ritme? En soms koppelen we daar ook woorden aan. Dus dan repeteren ze die woorden en die moeten dan naar hun handen.
Matthijs:
Dat die woorden, die spreek je dan in een bepaald ritme. En dat is zeg maar hun steuntekst om het dan op de djembé te spelen. En dat is minder excarnerend, zeg je?
Hanna:
Nou ja, die achtste die zakken ook helemaal in dat ritme. Die zetten dat graag neer. En daarnaast hebben ze ook langzaam meer behoefte om dan ook dat strak te trekken. Waarbij een zevende nog heel speels is en ik zit op mijn trommeltje hier, niemand die op mij let. Beetje dat gevoel. Ik kan soms echt 10 minuten naar een leerling kijken en die heeft niet door dat ik naar hem kijk. Waarbij een achtste al veel meer bewust is van z'n omgeving. Wat je dus ook inzet, omdat ze dan samenspelen.
Matthijs:
Ja, want ze kunnen het zelf wel doen en afgestemd zijn op hun omgeving.
Hanna:
Ja, ik zeg: Dit was geen één. Nog een keer. Eén, bom. Nee, dit was geen één. Ik hoor pla, pa, plaf. Nou, nog een keer. Ja, dan wordt het gewoon bijna spannend.
Matthijs:
Ja, en dat zie ik ook in een zesde klas gebeuren dat die kinderen... Dat is grappig dat dus parallellen zijn tussen zes en acht. Dat ze heel erg aangaan op het moment dat je de zaak centraal stelt. Dus van: 'het is niet gelijk', niet van: 'jij speelt ongelijk'.
Hanna:
Nee.
Matthijs:
'Het is niet gelijk'. En de zaak, namelijk de muziek dat die gelijk is en zuiver en gewoon optimaal is, die is eigenlijk leidend. En daar gaan we ons allemaal naar voegen.
Matthijs:
Dat doen ze heel graag.
Hanna:
Heel graag. Ja, kom op, zeggen ze dan.
Matthijs:
Ja, en met elkaar. Dus met elkaar gaan sporen en zodat. En zie je dat daarin ook nog iets verschillends tussen jongens en meisjes?
Hanna:
Dat dacht ik al, dat je dat ging vragen.
Matthijs:
Nou ja, ik zie het ineens voor me en ik denk van: 'hoe doen die meiden dat eigenlijk?'
Hanna:
Maar nee, want daar zie je dus hele andere verschillen. Dat is heel bijzonder. Daar waarbij jongens en meisjes nog een beetje, zeker naar eind achtste, negende, dat jongens dus die stemverandering ingaan. Daar is ook nog heel veel over te zeggen, maar goed. Dat wordt dan ook een beetje nakend en bloot, dat je dan je stem gebruikt. Dat valt weg bij het djembé. En dan komt er opeens iets anders, namelijk de motoriek. En dan zijn dus vaker, de meest intelligente kinderen, die het niet uit hun handen krijgen.
Matthijs:
Of niet in hun handen krijgen.
Hanna:
Of niet in hun handen krijgen.
Matthijs:
Ja, ze komen niet in die handen dan.
Hanna:
Nee. Dat ze het wel begrijpen, maar niet kunnen laten horen. En dan zie je andere kinderen shinen.
Matthijs:
Ja, waardoor het dus een andere verhouding is van: wie kijkt naar wie? Wie volgt wie?
Hanna:
Ja, dat is fantastisch.
Matthijs:
En dan toch nog eventjes die stembreuk. Die jongens gaan die stem muteren. Dat wordt al een tijdje een brakke stem, zou je kunnen zeggen. Met weinig controle en weinig bereik. Ik zie dat natuurlijk in de zesde klassen ook al gebeuren bij een paar. Die zie je dan groeien, stembanden gaan groeien en die stem wordt wiebelig. Nog niet per se laag, maar wel echt instabiel. Dat zie je in de zevende klassen natuurlijk ook. Ook grote verschillen waarschijnlijk wat je net al zei. Kinderen, jongens die gewoon met gemak die hoogte en ook voluit zingen. En anderen die nou ja, die een octaaf lager ook nog niet kunnen. Wat zijn zo jouw middelen om daar een soort van veiligheid en vertrouwen kweken en dat ze niet afhaken. Want ik denk dat dat de bottomline is, dat ze niet stoppen met zingen. Klopt dat?
Hanna:
Ja. Kijk, in de zevende is er bijna geen sprake van stemverandering. En als ik het hoor, dan loop ik vaak even apart naar die leerling toe en dan zeg ik: blijf jij maar gewoon in de laagte. Ja, er is één jongen nu, die heeft echt zo'n lage stem. Die mag daar gewoon onder blijven. Gewoon een octaaf.
Matthijs:
Ja, gewoon een mannenstem.
Hanna:
En ook zoekende van: "Ja, waar zit ik nou precies?" Maar vaak zijn ze daar ook van bewust en zingen ze dus zacht mee. En dat vind ik alleen maar heel goed. Waarbij je natuurlijk niet moet gaan fluisteren, want dan... Dat is weer een ander probleem. Maar dat is in acht, negen begint dat wel echt te spelen. Dat er dus ook jongens echt overslaan midden in de les. Doorgaans kan er even gelachen om worden. Als ik merk dat de lach anders klinkt dan: 'Oh, dat was grappig". Dus van: 'Wat doe jij nou? ' Of dat het een beetje een plagerige toon krijgt
Matthijs:
Ja.
Hanna:
Dan leg ik de boel meteen stil en dan ga ik het uitleggen. Wat er gebeurt en hoe we daarmee om moeten gaan.
Matthijs:
Gewoon heel erg objectief maken.
Hanna:
Heel objectief maken en ook degene uitnodigen om te zeggen: 'Voorzichtig, niet forceren. Pak de noten mee waarvan je weet, die haal ik nog. En we gaan ook wel... we splitsen dan ook. Zo eind achtste, begin negende, dan gaan we de stemmen ook splitsen en dan gaan we vaak de alt twee geven.
Matthijs:
Oh ja.
Hanna:
Of de... Ja, dat vaak heb je dan 'S, A, bariton'. Maar dat zijn specifiek partituren, volgens mij. Ik heb het nooit gecheckt, maar volgens mij zijn dat de partituren, voor dit soort...
Matthijs:
Voor de mutanten.
Hanna:
Ja, precies. Nou ja, ze zijn in ieder geval heel geschikt. Want de partijen zijn heel eenvoudig en daarnaast ook in een hele prettige ligging.
Matthijs:
Daar ergens zo rond die centrale C, net eronder, zo daar.
Hanna:
Ja, ja, dus dan moet je daar heel bewust op zoeken. En dan zijn er altijd jongens die zeggen: 'Ja, maar ben nou bas'. Ik denk: 'Mmm, kom maar terug. Kom maar terug als je je baard hebt staan,' of zo. Ja, ik moet daar heel voorzichtig mee zijn natuurlijk, met dat soort uitspraken.
Matthijs:
Nee, maar het is natuurlijk een kwetsbaar ding. En je kunt ermee blijven zingen. En ik denk dat het dat helpt als je ook het gewoon een keer uitlegt. Ik heb dat ook wel eens snel gedaan hier met... Ik had dan twee jongens in de zesde die, ja, die zie je daar ongelukkig staan. Daar werd echt niet om gelachen. Maar dat je het een keer uitlegt van: Goh, dit gebeurt er. Het is eigenlijk heel simpel, die stembanden groeien. En de rest van het strottenhoofd is er nog niet op afgestemd. Dus dat heeft even tijd nodig. Dat kan een paar maanden zijn, dat kan ook anderhalf jaar zijn. Dat verschil nogal eens.
Hanna:
Ja, was bij een leerling in mijn klas, die bleef drie jaar lang nog overslaan.
Matthijs:
Ja, maar sommigen is er een aantal weken gepiept. Dat is heel apart, hoe verschillend dat kan zijn.
Hanna:
Ja klopt.
Matthijs:
Zou je nog iets willen vertellen over dat, daar was ik toen zo enthousiast over, over dat hoorspel wat je aan het eind van de zevende klas dan wel eens doet. Wat voor soort dingen doe je dan?
Hanna:
Nou ja, we beginnen dus inderdaad met zingen en daarna hebben we dus een aantal mogelijkheden die voor ons werken. En dan zeg ik gewoon mijn collega's. En dan hebben we bijvoorbeeld: Mini Musical. Dat is een hele fijne om daarna aan te vliegen, want dan hebben ze hun repertoire opgebouwd. En dan zeg ik van: Nou, je mag twee liedjes uit de map halen en één liedje zelf bedenken of zelf uitkiezen. En daar ga je dus een verhaal van maken. Dus je moet liedjes zoeken die je in kan zetten in je eigen verhaallijn. Ja, En sommigen vinden het dan moeilijk om een verhaal te bedenken voor zo'n musical. Dus dan pakken ze een sprookje en dan mogen ze daar die liedjes in passen. Waarbij ik dan zeg: Let even op dat het liedje niet te lang is en dat het een doel heeft dat liedje en dat het de tekst misschien wel aangepast moet worden.
Matthijs:
Dat doen ze ook zelf.
Hanna:
Ja.
Matthijs:
Want sommige leerlingen zijn echt heel tekstgericht, hè?
Hanna:
Creatief ja, en anderen niet. En dat is dan prima, want dan hebben ze gewoon een bestaand liedje wat ze al kennen en wat wij al ingestudeerd hebben. En sommigen zeggen: Jeetje, ik kan niet een eigen liedje. Mag het dan ook uit de map? Denk ik: ja, geen probleem. Ik geef je gewoon vrijheid om iets zelf... Anderen zeggen: mag ik drie liedjes zelf? Denk ik: ja, even de leerling aftasten, want komt het allemaal op de grond. Want dat is ook vaak, ze hebben grote ideeën, maar komt het op de grond.
Matthijs:
En dat is groepswerk?
Hanna:
Ja, dus dan zijn ze met z'n vier, vijf tegelijk en dan moeten ze aan de slag. En dan gaan ze dus eerst schrijven, bedenken, vergaderen en dan gaan ze al snel oefenen.
Matthijs:
En dat is ook wel fijne momenten om even terug te komen wat je eerder zei.
Hanna:
Precies.
Matthijs:
Dat je zelf als leerkracht eventjes op een standje lager kunt. Gewoon eens kunt kijken, wat minder zenden, wat meer waarnemen en kijken wat is waar nodig. Waarbij ze die zelfstandigheid aan het oefenen zijn, die jij eventjes kan uitademen.
Hanna:
Ja en je ziet ook hele leuke dingen, want leerlingen verzinnen echt heel veel. Op een gegeven moment kwam er een kartonnen vliegtuig mijn lokaal in die niet eens door de deur paste, want er was dan blijkbaar een vliegtuigcrash. Nou ja, prima. Dus ze gaan daar wel ook op aan.
Matthijs:
Dat is de mini musical?
Hanna:
Ja, en dan hebben we daarna nog Bodysound, Body Percussie. Nou, dat kennen ze ook van de onderbouw. En ja, daar gaan we dan mee verder. Ik moet zeggen dat ik het de laatste paar jaar niet meer heb... Ja, trouwens wel. Dat doet ook altijd bij de warming up. Maar niet echt als vast bestaand project. En daarnaast inderdaad een hoorspel en dat is ook wel heel erg leuk om te doen, want dan hebben ze dus een verhaal. Ze mogen het uitzoeken, maar ze mogen het ook zelf schrijven. En wat daarvoor nodig is natuurlijk dat je het kan ondersteunen met geluiden. Dus als het gaat over iemand die zit te lezen, dat is vrij lastig te verklanken.
Matthijs:
Dus ze moeten daar dingen op zoeken die ook echt te verklanken zijn.
Hanna:
Precies.
Matthijs:
En wat is dan de eindvorm? Moeten ze een opname maken en die laten horen? Of moet het live?
Hanna:
Nou, ik heb het beide gedaan. Dus ik heb het en wel eens het laten opnemen. Ik heb het ook wel eens op een gegeven moment was er een variant dat we het achter het doek deden, met een hele grote lamp.
Matthijs:
Oh ja, een soort schimmenspel.
Hanna:
Ja, dus er werd ook geacteerd, maar op een veilige manier, want je zit achter een doek.
Matthijs:
Ja, want ik kan me ook voorstellen, als de hele klas zitten te kijken, hier zitten met z'n drieën vooraan met wat bakjes zand en wat bladeren en toestanden. Ik denk dat dat ook een soort van afleidt als je aan het luisteren bent.
Hanna:
Precies.
Hanna:
Ja, dat ook. En ze vinden het ook wel spannend, want je kijkt dus op hun vingers. Ja, dat is echt heel leuk, want dat komen zo’n verrassende dingen uit. Dat kan je van tevoren niet bedenken.
Matthijs:
En laat je ze ook wel eens coupletten schrijven bij bestaande liederen, dat ze echt hun tekstuele vaardigheden en dus dat moeten laten passen in het ritme en dat allemaal. Komen dat soort dingen ook wel eens aan bod bij jou? Of laat je ze wel eens rappen, bijvoorbeeld?
Hanna:
Ja, ook zeker. Maar ik moet zeggen dat deed ik in het begin heel veel en dat doe ik nu steeds minder.
Matthijs:
Vragen ze er niet om?
Hanna:
Dat ook niet nee, want ik doe wel veel met solfège. En als ik dan papier uitdeel, dan zeggen ze: oh, nee. Ze hebben altijd het gevoel van: dan moet ik iets. En als we gaan zingen, moeten ze niks. Dat is wel grappig.
Matthijs:
Dat denken ze dan.
Hanna:
Dat denken ze dan. Maar dat schoolse van: je hebt een papier en een pen en je moet wat doen, dat rijmt voor hun minder met muziek. Dat is wel leuk. Maar ik heb ze in het verleden inderdaad ook wel … Want dan heb je Tante d’r blues, maar je gaat niet Tante d’r blues zingen. Dus je gaat een eigen tekst op die melodie...
Matthijs:
Dat ritme. Ja, precies.
Hanna:
Ja, dat doen ze wel. En er was ook een leerling, jij kent hem toevallig ook, maar die heeft een keer voor strafwerk een rap geschreven. En die was zo briljant. Die heb ik nog gewoon in mijn kast thuis liggen.
Matthijs:
Om eens te doen.
Hanna:
Als ik hem nog eens tegenkom, dan denk ik: ja, die was zo goed.
Matthijs:
Ja, mooi.
Hanna:
Ja, en die deed hem ook voor de klas en die kreeg een staande ovatie.
Matthijs:
Ja, echt waar?
Hanna:
Ja.
Matthijs:
Geweldig.
Hanna:
Hij zat zo strak in mekaar. Maar hij kon zelf ook heel goed rappen. Ja, het was de Sorry-rap voor Hanna.
Matthijs:
Oh ja. Had jij hem dat thema opgegeven of niet?
Hanna:
Nee, nee, nee. Meestal zeg ik van: 'Reflecteer eens even op wat je hebt gedaan'.
Matthijs:
Hier wil ik toch even een vraag over stellen. Want je bent aan het proberen die kinderen te laten zingen, een soort van open te stellen, dat er wat uitkomt, dat er expressie is en dat ze zichtbaar worden, hoorbaar worden in dat zingen. Als je een rommelige klas hebt of er gebeuren dingen die je echt niet fijn vindt, dan treed je daar op. Ik vind het zelf altijd lastig, hoe nou het ene met het andere zich laten verhouden. Dat je streng bent, dat paaltjes slaat en een soort van, zo noem het. En het moet blijven stromen. Wat je niet iedere keer wil dicht laten slaan doordat je moet mopperen of wat repressie doet richting de kinderen. Herken je dat? Als een lastig dilemma?
Hanna:
Ja, heel erg. Dat is een duivels dilemma. Dat werkt niet, want je kan niet zeggen: 'Hou je mond, zing!' Eerst zeg je: 'Stop met praten, ga zingen'. Ja, dat is leuk, maar dat nodigt niet uit.
Matthijs:
Nee.
Hanna:
Nee, heel af en toe moet ik echt even de boel echt helemaal afbreken. Gewoon echt stil leggen en heel vanuit mijn tenen zeggen: 'Zó wil ik niet werken'. Dat is de vorige maand, toevallig, een keer gebeurd. Ik dacht zo, dat is lang geleden'. En dat komt dan echt vanuit mijn persoonlijkheid van: 'Ik wil dit niet'. Dit gaat over alle grenzen heen. En dan merk je ook: 'Ho, nu is er iets nou, niet kapot, wil ik zeggen, maar er is wel... Ja, je zet eigenlijk drie stappen terug. Dus dat moet je dan weer... Dat moet je dan inderdaad, die stroom moet je dan weer in beweging krijgen. Dus dat is niet wenselijk om dat iedere les te doen. Stop en door. Zo zing je niet.
Matthijs:
Nee.
Hanna:
Dus blijkbaar is er dan iets anders nodig en vanuit de beweging merk ik wel dat ze op een gegeven moment toch in de stroom meegaan. Dus wat ik in het begin wel bij een collega zag, die ging dan vanuit de chaos beginnen. En dat is wat ik op het Conservatorium heb geleerd. Nooit vanuit chaos beginnen. Begin vanuit stilte. Dat kan ik aan het begin van een les opbrengen en eisen. Maar midden in de les, dan ben je al in beweging.
Matthijs:
Ga je het niet meer stilleggen.
Hanna:
Ga je het niet meer stilleggen. Dus dan snap ik dus wel waarom je vanuit een beweging... Want zeker bij pubers, als je ze stilzet, nou krijg je ze dan nog maar weer eens aan. Nou ja, dan ga je dus even over de chaos heen. Want er zijn ook, zeker die zevende die roepen dan: 'Gaan we nog dit doen? ' 'Het is bijna tijd'. Ze roepen gewoon wat er in hun opkomt. En dan is de kunst dat je een gebaar maakt van: Ja, ik heb je gehoord. Ik weet waar je bent. ' En nu gaan we door. En dan kan je dus eigenlijk weer de muziek inzetten, om ze weer mee te krijgen.
Matthijs:
Ja, de didactiek die echt vanuit de muziek komt. Vanuit de structuur die muziek eigenlijk aanbrengt. Ik vind zelf ook altijd interessant dat het repeteren, eigenlijk per definitie, de boel steeds stilzetten is. Je kunt doorzingen, het volgende, doorzingen, doorzingen. En dan lopen ze als het ware leeg in dat... Dat is ook dat excarnerende wat je misschien zo noemt van: daar gaan ze. En het stop van: Nee, doe het zo. Ik wil het nog een keer horen: Hoe het is. En nu wil ik het even alleen naar die groep horen. Doe eens even dat woord Wie kan er goed Engels, jullie spreken het eens voor. Dat repeterende, dat zet ook steeds stil. Maar dat is dan vanuit het vak.
Hanna:
Ja, maar dat heeft ook een functie. Want ik zie jou dat gebaar maken van leeglopen. Dat ervaar ik soms ook in de klas, dat ze helemaal teveel in een comfortzone komen. Lekker zingen de hele tijd. Lekker zingen, lekker in de ontspanning. Denk ik: Oh wacht, hier moet even wat peper bij. En dan, juist zet je het stil door te zeggen: Hé, wat hoor ik nou? Nee, want dat woord komt niet onder het nootje, bij wijze van...
Matthijs:
Ook weer die objectiviteit eigenlijk.
Hanna:
Ja, en dan zeggen ze: oh. Dan voelen ze ook van: oh, maar ze wil meer. En dan komt er ook meer iets van: oh, dus het kan nog beter. ' En ze hebben echt wel gevoel van kwaliteit hoor. Dat is wel gaaf.
Matthijs:
Dat is wel mooi, want dat is misschien wel ook één van de... We hebben het er niet over gehad, eigenlijk. Maar dat is misschien ook wel één van de doelen die je nastreeft, sowieso op de hele vrijeschool en waar muziek ook echt een rol kan spelen. Van dat ze inderdaad gevoel krijgen, en gevoel is dan misschien nog niet eens het goeie woord, maar dat ze gaan ervaren. Ja, of iets ertussenin. Tussen gevoel en bewustzijn, dat ze een ervaring hebben van: dit heeft kwaliteit en dit heeft geen kwaliteit.
Hanna:
Ja en ook wel gewoon van: waarom doen we de dingen zoals we ze doen? Want soms vragen leerlingen ook: 'waarom doen we dit nou?' Of 'is dit nodig?' En dan ben ik blij met mijn ervaring dat ik inmiddels ook gewoon echt overtuigd ben van mijn vak en ook van de dingen die we doen op school met muziek. En dat het echt zoveel hout snijdt, niet alleen maar muzikaal, maar veel meer omvat. Ja, dan zijn ze altijd wel even stil.
Matthijs:
Ja, mooi is dat.
Hanna:
En dan voelen ze: 'Oh, zijn we dat aan het doen? Oh, nee, oké. Weet je wel? Het is gewoon ook zo'n reality check van: sta jij nog wel oprecht te zijn? En dat is ook heel dankbaar als je die vraag eigenlijk krijgt van een leerling van: sta je nog wel op die goede plek? Tenminste, die hoor ik dan in. Wat zijn we nou aan het doen?
Matthijs:
Ja, dat zit ‘m misschien minder in de argumenten die je aan draagt, als wel in de houding waarmee je ze aan draagt. Dat ze voelen van: Oh ja, hier sta je echt voor. Je staat er echt voor.
Hanna:
Je kan ook nooit, nooit, nooit half voor een klas staan laat staan voor een koorklas. Dat kan niet.
Matthijs:
Ja, toch zullen ze het er af en toe ook mee moeten doen.
Hanna:
Ja.
Matthijs:
Met een mindere dag.
Hanna:
En dat weten ze ook. Ja, dat weten ze ook wel eens. En ik zeg ook, ik heb het wel eens gezegd, als ik echt een beetje er aflig van: Ja, waarom meld je je dan niet ziek? Ja, ik ben niet ziek. Het gaat gewoon... Oh oké, weet je wel. Daar hebben ze ook echt wel ruimte voor.
Matthijs:
Precies.
Hanna:
Ja. Nee, maar voor jezelf gewoon. Dus als je voor een koor staat. Ja, als het echt niet gaat, ga het niet doen. Nee. Daar is het te zwaar voor. Te …..ja, dat klinkt negatief, zwaar, maar het vraagt te veel dan.
Matthijs:
Je kunt ook nog net wat het andere perspectief volgens mij bekijken dat je zegt: die kinderen, of die groep heeft dit nodig om die koorzang te kunnen te kunnen doen, zeker als het een grote groep is. Dit nodig, in de zin van: heeft dit van mij nodig. Kan ik dit op dit moment bieden? Ik heb natuurlijk zelf ook wel eens die twijfel dat je gewoon je gammel voelt, niet ziek genoeg om thuis te blijven, niet gezond genoeg om te gaan werken. Weet je, zo tussen in. En dan zijn die kooruren, vind ik altijd een lastige omdat je voelt, daar moet je eigenlijk in je hele vitaliteit en je aanwezigheid met name ook, in alle opzichten aanwezig. Daar moet je toch wel echt helemaal zijn. Niet omdat ik dat nou zo belangrijk vind, maar omdat dat een soort voorwaarde is. En dan kun je natuurlijk, als je dat al lang doet en die kinderen weten wel een beetje hoe het gaat, dan kan je echt wel eens een mindere dag hebben. Dat gaat wel eens. Maar toch, je voelt jezelf tegelijk er helemaal niet prettig bij.
Hanna:
Ja precies.
Hanna:
En dat is, want ik moet opeens denken aan waar we het al eerder een keer over gehad hebben. Dat er dus middenbouw, of in ons geval als middenbouwdocent, maar je hebt ook op de onderbouw een vaste leerkracht, klassenleerkracht. En dat is ook wel waarom een klassenleerkracht waarschijnlijk minder snel gaat zingen met leerlingen, omdat ze al zoveel te doen hebben. Hoeveel ruimte heb je dan om te gaan zingen? En ben je dus fysiek in orde, in staat? Heb je voldoende bagage en tijd ook om het voor te kunnen bereiden en om het te dragen? Dus dat was laatst ook een vraag van jou van: kan een vakleerkracht dat dan meer of minder doen? Want ik weet, ik kan zo van de klassen die ik krijg zeggen: Die docent zingt met ze. Ik hoor het verschil per klas, wie er wel zingt en wie er niet zingt met z'n klas.
Matthijs:
Dus dat is het pleidooi wat je houdt voor de mentoren van klas zeven, klas acht, om ook al ben je misschien niet al te zeker van je zaken wat betreft te zingen, om het gewoon toch echt te gaan doen met ze.
Hanna:
Ja, ik wil het eigenlijk niet in de schoot leggen van de docenten, maar eigenlijk bij de directie van een school. Van als je muziek in de wil hebben, dan moet je het kunnen faciliteren voor... Nou ja, in jouw geval... Ja, fijn dat jij er bent, hier in de regio. Maar ja, er zijn niet 100 Matthijzen. Hoe faciliteer je dat dan als management? Want ik denk dat het daar begint. En waar verzorg je die mensen die dat willen en kunnen? Want dat is het. Ze moeten het willen en ze moeten het kunnen. En dat kunnen dat heeft ook te maken met wat de directie faciliteert. Dus is er ruimte en is er tijd? Want je moet ook tijd hebben. Het kost veel voorbereiden. En zo hou je dus muziek in de school. Dat wil ik eigenlijk zeggen.
Matthijs:
Work in progress. Is nog één ding wat ik nog wil noemen, wat me zo trof twee jaar geleden dat je zei, want ik zei: 'goh, die leerlingen van 12, 13, 14 jaar, daar is de onzekerheid troef op al die gebieden van het leven. Ga je ook nog eens een keer met ze zingen, wat haar helemaal precies aanraakt. In plaats van dat je ze een soort iets van veiligheid biedt, ga je iets doen wat eigenlijk gewoon heel spannend voor ze is. En toen zei jij dat wat ik wel heel erg mooi vond, is van: Ja, juist door te gaan zingen met ze, geef je een soort vorm aan die onzekerheid bij die leerlingen. Dat je het niet uit de weg gaat en denkt van: Nou, over drie jaar kom ik wel eens terug. Jij zegt: Nee, we gaan dit doen en we gaan dit op een veilige manier doen. Op een, misschien op sommige momenten ook wat low key, niet het uiterste vragen, maar we gaan dit doen om eigenlijk te oefenen, om met die onzekerheid om te gaan. En dan is muziek een hele goede oefening daarin, wat toneelspelen volgens mij net zo is. Want daar sta je op het podium en je moet je tekst doen en iedereen kijkt.
Matthijs:
Dus geef maar structuur aan die onzekerheid.
Hanna:
Ja, ook als docent.
Matthijs:
En dan bedoel je?
Hanna:
Nou, dat het heel spannend is om te zingen voor een groep. Dat kan het zijn. Geen één groep is hetzelfde, dus je moet altijd aftasten van: Wat ben ik hier aan het doen en met wie vooral? Ik vind het ieder jaar weer spannend om te beginnen.
Matthijs:
Het blijft, hè?
Hanna:
Kan ik het nog wel?
Matthijs:
Het blijft.
Hanna:
Wat krijg ik voor mijn neus? Het is mensenwerk, dus ja.
Matthijs:
En daarvan zeg je dat is voor de kinderen ook mooi om te zien dat je iedere keer ook zelf weer die stap moet zetten.
Hanna:
Ja, natuurlijk.
Hanna:
Ja.
Matthijs:
Mooi. Dankjewel Hanna.
Hanna:
Graag gedaan.