Opa Bakkebaard heeft een huisje
en in dat huisje daar is het goed.
Opa Bakkebaard is aan 't werken
en weet jij wel wat hij doet?
Hij veegt de vloer met een bezem, met een bezem.
Hij veegt de vloer, zó veegt hij de vloer.
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Agenda werkplaats
27 september 2026
Zingen
Koor op school
11 oktober 2026
Instrumentaal
Ukelele spelen
25 oktober 2026
Zingen
Koordag
29 oktober 2026
Instrumentaal
Bamboefluit bouwen
1 november 2026
Dans & beweging
Bewegend zingen met kleuters
8 november 2026
Zingen
Zingen met je klas
1.
2.
Opa Bakkebaard …
Hij kookt zijn soep in een emmertje, in een emmertje.
Hij kookt zijn soep, zó kookt hij zijn soep.
Hij kookt zijn soep in een emmertje, in een emmertje.
Hij kookt zijn soep, zó kookt hij zijn soep.
3.
Opa Bakkebaard …
Hij roert de soep met een lepel, met een lepel.
Hij roert de soep, zó roert hij de soep.
Hij roert de soep met een lepel, met een lepel.
Hij roert de soep, zó roert hij de soep.
4.
Opa Bakkebaard …
Hij bakt een taart in de oven, in de oven.
Hij bakt een taart, zó bakt hij een taart.
Hij bakt een taart in de oven, in de oven.
Hij bakt een taart, zó bakt hij een taart.
5.
Opa Bakkebaard …
Hij melkt de koe op een krukje, op een krukje.
Hij melkt de koe, zó melkt hij de koe.
Hij melkt de koe op een krukje, op een krukje.
Hij melkt de koe, zó melkt hij de koe.
6.
Opa Bakkebaard …
Hij maait het gras met een maaier, met een maaier.
Hij maait het gras, zó maait hij het gras.
Hij maait het gras met een maaier, met een maaier.
Hij maait het gras, zó maait hij het gras.
7.
Opa Bakkebaard …
Hij knipt zijn baard met een schaartje, met een schaartje.
Hij knipt zijn baard, zó knipt hij zijn baard.
Hij knipt zijn baard met een schaartje, met een schaartje.
Hij knipt zijn baard, zó knipt hij zijn baard.
8.
Opa Bakkebaard …
Hij naait zijn broek met een spijker, met een spijker.
Hij naait zijn broek, zó naait hij zijn broek.
Hij naait zijn broek met een spijker, met een spijker.
Hij naait zijn broek, zó naait hij zijn broek.
9.
Opa Bakkebaard …
Hij wast zijn hemd in de badkuip, in de badkuip.
Hij wast zijn hemd, zó wast hij zijn hemd.
Hij wast zijn hemd in de badkuip, in de badkuip.
Hij wast zijn hemd, zó wast hij zijn hemd.
10.
Opa Bakkebaard …
Hij bakt een ei op een vuurtje, op een vuurtje.
Hij bakt een ei, zó bakt hij een ei.
Hij bakt een ei op een vuurtje, op een vuurtje.
Hij bakt een ei, zó bakt hij een ei.
11.
Opa Bakkebaard …
Hij snijdt zijn brood met een zakmes, met een zakmes.
Hij snijdt zijn brood, zó snijdt hij zijn brood.
Hij snijdt zijn brood met een zakmes, met een zakmes.
Hij snijdt zijn brood, zó snijdt hij zijn brood.
12.
Opa Bakkebaard …
Hij voert de geit uit een bakje, uit een bakje.
Hij voert de geit, zó voert hij de geit.
Hij voert de geit uit een bakje, uit een bakje.
Hij voert de geit, zó voert hij de geit.
13.
Opa Bakkebaard …
Hij wiedt de tuin met een schoffel, met een schoffel.
Hij wiedt de tuin, zó wiedt hij de tuin.
Hij wiedt de tuin met een schoffel, met een schoffel.
Hij wiedt de tuin, zó wiedt hij de tuin.
14.
Opa Bakkebaard …
Hij leest de krant op een bankje, op een bankje.
Hij leest de krant, zó leest hij de krant.
Hij leest de krant op een bankje, op een bankje.
Hij leest de krant, zó leest hij de krant.
15.
Opa Bakkebaard …
Hij drinkt zijn bier uit een feestneus, uit een feestneus.
Hij drinkt zijn bier, zó drinkt hij zijn bier.
Hij drinkt zijn bier uit een feestneus, uit een feestneus.
Hij drinkt zijn bier, zó drinkt hij zijn bier.
16.
Opa Bakkebaard …
Hij gaat naar bed met een slaapmuts, met een slaapmuts.
Hij gaat naar bed, zó gaat hij naar bed.
Hij gaat naar bed met een slaapmuts, met een slaapmuts.
Hij gaat naar bed, zó gaat hij naar bed.