Een karretje op een zandweg reed,
de maan scheen helder, de weg was breed,
het paardje liep met lusten.
'k Wed dat het zelf zijn weg wel vindt,
de voerman lei te rusten.
Ik wens je wél thuis, m'n vrind, m'n vrind,
ik wens je wél thuis, m'n vrind!
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
1.
2.
Een karretje reed langs berg en dal,
de nacht was donker, de weg was smal,
het paard liep als met vleugels.
De sneeuwjacht zweept zijn ogen blind,
de voerman houdt de teugels.
Ik wens je wél thuis, m'n vrind, m'n vrind,
ik wens je wél thuis, m'n vrind!
de nacht was donker, de weg was smal,
het paard liep als met vleugels.
De sneeuwjacht zweept zijn ogen blind,
de voerman houdt de teugels.
Ik wens je wél thuis, m'n vrind, m'n vrind,
ik wens je wél thuis, m'n vrind!
3.
Eén karretje keert behouden weer,
het ander heeft er geen voerman meer,
waar mag hij zijn gebleven?
'k Wed dat je 'm op een zandweg vindt
of moog'lijk wel daarneven.
Hij komt niet weer thuis, die vrind, die vrind,
hij komt niet weer thuis, die vrind!
het ander heeft er geen voerman meer,
waar mag hij zijn gebleven?
'k Wed dat je 'm op een zandweg vindt
of moog'lijk wel daarneven.
Hij komt niet weer thuis, die vrind, die vrind,
hij komt niet weer thuis, die vrind!