In die grote stad Zaltbommel, bommel,
heerste grote watersnood, nood, nood, nood.
En zo menig arme drommel, drommel,
die niet zwemmen kon ging dood, dood, dood, dood.
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Agenda werkplaats
27 september 2026
Zingen
Koor op school
11 oktober 2026
Instrumentaal
Ukelele spelen
25 oktober 2026
Zingen
Koordag
29 oktober 2026
Instrumentaal
Bamboefluit bouwen
1 november 2026
Dans & beweging
Bewegend zingen met kleuters
8 november 2026
Zingen
Zingen met je klas
1.
Refr.
En te midden van die rommel, rommel
dreef de torenspits van Bi-Ba-Bommel.
En te midden van die rommel, rommel
dreef de torenspits in 't rond.
dreef de torenspits van Bi-Ba-Bommel.
En te midden van die rommel, rommel
dreef de torenspits in 't rond.
2.
Op een vlot van houten planken, planken
zat een grote herdershond, hond, hond, hond.
Zo erbarmelijk te janken, janken,
omdat hij zijn baas niet vond, vond, vond, vond.
zat een grote herdershond, hond, hond, hond.
Zo erbarmelijk te janken, janken,
omdat hij zijn baas niet vond, vond, vond, vond.
3.
Een matroos met houten benen, benen
en een rode zwembroek aan, aan, aan, aan.
Zat als een klein kind te wenen, wenen,
want zijn schip dat was vergaan, gaan, gaan, gaan.
en een rode zwembroek aan, aan, aan, aan.
Zat als een klein kind te wenen, wenen,
want zijn schip dat was vergaan, gaan, gaan, gaan.
4.
't Was afgrijselijk te aanschouwen, schouwen
hoe beroofd van haar korset, set, set, set.
Een boerin uit Henegouwen, gouwen
aan kwam drijven op haar vet, vet, vet, vet.
hoe beroofd van haar korset, set, set, set.
Een boerin uit Henegouwen, gouwen
aan kwam drijven op haar vet, vet, vet, vet.
5.
In een mand met verse broodjes, broodjes
dreef des bakkers jongste kind, kind, kind, kind.
Zwaaide met zijn blote pootjes, pootjes
en stonk uren in de wind, wind, wind, wind.
dreef des bakkers jongste kind, kind, kind, kind.
Zwaaide met zijn blote pootjes, pootjes
en stonk uren in de wind, wind, wind, wind.
6.
Op een vloer met nog wat planken, planken
dreef de doopsgezinde school, school, school, school
Jongens hingen uit de banken,
lapten 't leren aan hun zool, zool, zool, zool.
dreef de doopsgezinde school, school, school, school
Jongens hingen uit de banken,
lapten 't leren aan hun zool, zool, zool, zool.
7.
In een Ford met lekke banden, banden
zat een rijke kruidenier, nier, nier, nier.
Tussen zijn verkleumde handen, handen
klemde hij een heel vat bier, bier, bier, bier.
zat een rijke kruidenier, nier, nier, nier.
Tussen zijn verkleumde handen, handen
klemde hij een heel vat bier, bier, bier, bier.
8.
Een chinees met lange haren, haren,
op zijn rug een linnen zak, zak, zak, zak.
Viste met machinegaren, garen
sinaasappels en tabak, bak, bak, bak.
op zijn rug een linnen zak, zak, zak, zak.
Viste met machinegaren, garen
sinaasappels en tabak, bak, bak, bak.
9.
Op een ton met houten banden, banden
zat een brouwer dik en fier, fier, fier, fier.
Hij wreef juichend in zijn handen, handen,
hij had nu water voor zijn bier, bier, bier, bier.
zat een brouwer dik en fier, fier, fier, fier.
Hij wreef juichend in zijn handen, handen,
hij had nu water voor zijn bier, bier, bier, bier.
10.
Een heel regiment soldaten, daten
en 'n eskader van de vloot, vloot, vloot, vloot.
Wierpen blindelings granaten, naten
en ze zopen zich haast dood, dood, dood, dood.
en 'n eskader van de vloot, vloot, vloot, vloot.
Wierpen blindelings granaten, naten
en ze zopen zich haast dood, dood, dood, dood.
11.
De twee zoontjes van de koster, koster
zaten op het kerkedak, dak, dak, dak.
Samen stekelbaars te vangen, vangen
in de kerkcollectezak, zak, zak, zak.
zaten op het kerkedak, dak, dak, dak.
Samen stekelbaars te vangen, vangen
in de kerkcollectezak, zak, zak, zak.