Drie schuintamboers, die kwamen uit het Oosten.
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Die kwamen uit het Oosten, rom-bom!
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Agenda werkplaats
27 september 2026
Zingen
Koor op school
11 oktober 2026
Instrumentaal
Ukelele spelen
25 oktober 2026
Zingen
Koordag
29 oktober 2026
Instrumentaal
Bamboefluit bouwen
1 november 2026
Dans & beweging
Bewegend zingen met kleuters
8 november 2026
Zingen
Zingen met je klas
1.
2.
Eén van de drie, zag daar een aardig meisje.
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Zag daar een aardig meisje, rom-bom!
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Zag daar een aardig meisje, rom-bom!
3.
Zeg, meisje lief, mag ik met jou verkeren?
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Mag ik met jou verkeren? Rom-bom!
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Mag ik met jou verkeren? Rom-bom!
4.
Wel, jongeman, dat moet je m'n vader vragen.
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Dat moet je m'n vader vragen, rom-bom!
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Dat moet je m'n vader vragen, rom-bom!
5.
Zeg, ouwe heer, mag ik jouw dochter trouwen?
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Mag ik jouw dochter trouwen? Rom-bom!
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Mag ik jouw dochter trouwen? Rom-bom!
6.
Want zij is mij de schoonste aller vrouwen.
Van rom-bom, wat maal ik erom?
De schoonste aller vrouwen, rom-bom!
Van rom-bom, wat maal ik erom?
De schoonste aller vrouwen, rom-bom!
7.
Zeg, jongeman, zeg mij, wat is jouw rijkdom?
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Zeg mij, wat is jouw rijkdom? Rom-bom!
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Zeg mij, wat is jouw rijkdom? Rom-bom!
8.
Mijn rijkdom is, daar wil ik niet om jokken.
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Een trommel met twee stokken, rom-bom!
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Een trommel met twee stokken, rom-bom!
9.
Nee, schuintamboer, mijn kind kan jij niet krijgen!
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Mijn kind kan jij niet krijgen, rom-bom!
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Mijn kind kan jij niet krijgen, rom-bom!
10.
Zeg, ouwe heer, ik heb nog iets vergeten.
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Ik heb nog iets vergeten, rom-bom!
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Ik heb nog iets vergeten, rom-bom!
11.
Mijn vader is Groothertog van Brittanje.
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Groothertog van Brittanje, rom-bom!
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Groothertog van Brittanje, rom-bom!
12.
Mijn moeder is de koningin van Spanje.
Van rom-bom, wat maal ik erom?
De koningin van Spanje, rom-bom!
Van rom-bom, wat maal ik erom?
De koningin van Spanje, rom-bom!
13.
Zeg, jongeman, jij mag mijn dochter trouwen.
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Jij mag mijn dochter trouwen, rom-bom!
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Jij mag mijn dochter trouwen, rom-bom!
14.
Neen, ouwe heer, je mag je dochter houwen!
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Je mag je dochter houwen, rom-bom!
Van rom-bom, wat maal ik erom?
Je mag je dochter houwen, rom-bom!