De koekoek en de ezel,
die hadden eens een strijd;
wie wel het mooist kon zingen,
wie wel het mooist kon zingen
in de schone voorjaarstijd.
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
1.
2.
De koekoek riep: "Ík kan het!"
En gaf een groot geluid.
"Maar ík kan het véél beter,
maar ík kan het véél beter",
riep toen de ezel uit.
En gaf een groot geluid.
"Maar ík kan het véél beter,
maar ík kan het véél beter",
riep toen de ezel uit.
3.
Dat klonk zo schoon en lieflijk,
van verre en van na.
Ze zongen allebeide,
ze zongen allebeide:
Koe-koek, i-a, koe-koek, i-a,
koe-koek, koe-koek, i-a.
van verre en van na.
Ze zongen allebeide,
ze zongen allebeide:
Koe-koek, i-a, koe-koek, i-a,
koe-koek, koe-koek, i-a.