Jan, mijne man, wou ruiter worden,
Jan, mijne man, die had geen paard.
Toen pakt' hij de kat
en nam hem bij zijn staart;
toen had Jan, mijne man, een paard.
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
1.
2.
Jan, mijne man, wou ruiter worden,
Jan, mijne man, die had geen zaâl.
Toen nam hij een ei
en brak daarvan de schaal;
toen had Jan, mijne man, een zaâl.
Jan, mijne man, die had geen zaâl.
Toen nam hij een ei
en brak daarvan de schaal;
toen had Jan, mijne man, een zaâl.
3.
Jan, mijne man, wou ruiter worden,
Jan, mijne man, die had geen toom.
Toen nam hij zijn jas
en scheurd' daarvan de zoom;
toen had Jan, mijne man, een toom.
Jan, mijne man, die had geen toom.
Toen nam hij zijn jas
en scheurd' daarvan de zoom;
toen had Jan, mijne man, een toom.
4.
Jan, mijne man, wou ruiter worden,
Jan, mijne man, die had geen zweep.
Toen nam hij zijn hemd
en scheurd' daarvan een reep;
toen had Jan, mijne man, een zweep.
Jan, mijne man, die had geen zweep.
Toen nam hij zijn hemd
en scheurd' daarvan een reep;
toen had Jan, mijne man, een zweep.