Geel en goud, glanst het najaar door het woud.
Gouden zomen aan de bomen, waar is dat goud vandaan gekomen?
Is ’t de zegen van de regen langs de velden, langs de wegen?
Is ’t de wind die wilde vrind, die het in de wolken vindt?
Kinderen, die kleuren fijn, zijn uit louter zonneschijn.