Ronderdebonder, daar is de donder,
zag je het flitsende licht in de lucht?
Stil staan de bomen, stil zijn de vogels,
alles is snel in een schuilplaats gevlucht.
’t Spreekt in de hemel, ’t spreekt in de wolken,
hoor er met eerbied naar wat het daar wil!
Laten wij luist’ren, hier in het duist’ren
van donk’re wolkenlucht, kind’ren wees stil!
Geen zorgen maken, engelen waken,
reeds valt de regen stromende neer.
Laten wij luist’ren, samen in’t duist’ren;
straks zal ’t voorbijgaan, ’t zonlicht komt weer.