Daar waren twaalf kaboutertjes,
hier zijn ze, kijk maar zelf,
en één liep hard van d'anderen weg,
toen waren er nog maar elf.
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Agenda werkplaats
27 september 2026
Zingen
Koor op school
11 oktober 2026
Instrumentaal
Ukelele spelen
25 oktober 2026
Zingen
Koordag
29 oktober 2026
Instrumentaal
Bamboefluit bouwen
1 november 2026
Dans & beweging
Bewegend zingen met kleuters
8 november 2026
Zingen
Zingen met je klas
1.
2.
Daar waren elf kaboutertjes,
ik heb ze zelf gezien,
en één die wilde slapen gaan,
toen waren er nog maar tien.
ik heb ze zelf gezien,
en één die wilde slapen gaan,
toen waren er nog maar tien.
3.
Daar waren tien kaboutertjes,
die liepen in de regen,
en één viel in een diepe plas,
toen waren er nog maar negen.
die liepen in de regen,
en één viel in een diepe plas,
toen waren er nog maar negen.
4.
Daar waren negen kaboutertjes,
die zaten aan de gracht,
en één voer in een bootje weg,
toen waren er nog maar acht.
die zaten aan de gracht,
en één voer in een bootje weg,
toen waren er nog maar acht.
5.
Daar waren acht kaboutertjes,
die hebben een feest gegeven,
en één kroop in een holle boom,
toen waren er nog maar zeven.
die hebben een feest gegeven,
en één kroop in een holle boom,
toen waren er nog maar zeven.
6.
Daar waren zeven kaboutertjes,
die aten een groene bes,
en één die kreeg er buikpijn van,
toen waren er nog maar zes.
die aten een groene bes,
en één die kreeg er buikpijn van,
toen waren er nog maar zes.
7.
Eén van de zes zei heel tevreê:
" 'k G'loof dat ik hier maar blijf",
en zette zich op het zachte mos,
toen waren er nog maar vijf.
" 'k G'loof dat ik hier maar blijf",
en zette zich op het zachte mos,
toen waren er nog maar vijf.
8.
Daar waren vijf kaboutertjes,
die zagen een griezelig dier,
en één ervan sloeg op de vlucht,
toen waren er nog maar vier.
die zagen een griezelig dier,
en één ervan sloeg op de vlucht,
toen waren er nog maar vier.
9.
Daar waren vier kaboutertjes,
die reden naar Overschie,
en één ging met het windje mee,
toen waren er nog maar drie.
die reden naar Overschie,
en één ging met het windje mee,
toen waren er nog maar drie.
10.
Daar waren drie kaboutertjes,
die gingen saâm naar zee,
één ging wat spelen op het strand,
toen waren er nog maar twee.
die gingen saâm naar zee,
één ging wat spelen op het strand,
toen waren er nog maar twee.
11.
Daar waren twee kaboutertjes,
die dansten op één been,
maar één die werd zo vrees'lijk moe,
toen was er nog maar één.
die dansten op één been,
maar één die werd zo vrees'lijk moe,
toen was er nog maar één.
12.
Die riep bedroefd: "Kaboutertjes,
kom hier, ach, kom toch hier!"
Toen kwamen al z'n vriendjes weer
en dansten van plezier!
kom hier, ach, kom toch hier!"
Toen kwamen al z'n vriendjes weer
en dansten van plezier!