Het staldeurtje kraakte, de os loeide zacht.
Toen Jozef ontwaakte was 't kindje gebracht.
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
1.
2.
't Had haartjes als zijde, een mondje zo klein.
Er straald' om Zijn hoofdje een heldere schijn.
Er straald' om Zijn hoofdje een heldere schijn.
3.
"Wij noemen Hem Jezus", heeft Jozef gezegd.
Maria, die heeft Hem in 't kribje gelegd.
Maria, die heeft Hem in 't kribje gelegd.
4.
Wie loopt op het paadje en wie klopt daar aan?
't Zijn herders, die zwijgend voor 't staldeurtje staan.
't Zijn herders, die zwijgend voor 't staldeurtje staan.
5.
Dan klinken hun stemmen: "De Heer zij geloofd!"
Zij nemen eerbiedig de muts van het hoofd.
Zij nemen eerbiedig de muts van het hoofd.