Geen dier is op de aarde, u, lieve God, te klein.
Gij riep ze al in 't leven, ze zijn voor eeuwig dijn.
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
1.
Refr.
Tot U, tot U roept mens en dier; 't vogeltje zingt,
't visje springt, 't bijtje zoemt, 't kevertje bromt.
Ook piept er vaak een muisje klein:
"Heer God, wil nu geprezen zijn!"
't visje springt, 't bijtje zoemt, 't kevertje bromt.
Ook piept er vaak een muisje klein:
"Heer God, wil nu geprezen zijn!"
2.
De vogel in de luchten zingt u een vrolijk lied,
de slangen in de spleten, gij schuwt hun sissen niet.
de slangen in de spleten, gij schuwt hun sissen niet.
3.
De visjes, die daar zwemmen, ze zijn voor u niet stom,
gij hoort al hunne stemmen, voor u is niemand dom.
gij hoort al hunne stemmen, voor u is niemand dom.
4.
Voor U danst in de zonne, de kleine muggenschaar,
hun dank voor levensvreugde, die brengen zij U daar.
hun dank voor levensvreugde, die brengen zij U daar.
5.
De zon, de maan gaan onder en op, al in uw rijk
en alles is, o, wonder, voor U, o, God, gelijk.
en alles is, o, wonder, voor U, o, God, gelijk.