Ik ben een zaadje klein en rond, en lig verborgen in de grond.
De aarde heeft mij toegedekt en ’k wacht hier tot de zon mij wekt.
Dan grijpen mijn wortels de aarde vast. Mijn kiempje en steeltje dat zoekt en tast
en vindt dan daar boven, mijn lieve kind, de zon en de hemel, de regen en wind.
Dan spreid ik mijn blaadjes en richt mij hoog op en draag dan mijn kleurigste bloempje in top.