Oud moedertje strompelt naar buiten
en sprokkelt wat spaandertjes hout.
De wind blaast zo vinnig uit 't oosten,
het is in haar hutje zo koud.
Haar buurjongens zijn aan het spelen:
Koen, Willem, Johannes en Piet.
Zij rijden elkaar in de slede
en weten van kou noch verdriet.
Daar zien z' in de verte het oudje.
Kom, gauw op een drafje er heen
en helpen wij buurvrouw een handje,
zij is zo gebrekkig ter been!
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
1.
2.
Gezegd en gedaan en zij zoeken
en sjouwen en draven maar aan.
En brengen een mutsaard tezamen,
die het oudje niet wegdragen kan.
Met dragen, wel nee, dat behoeft niet;
de slede staat immers al klaar.
Kom, jongens, nu ieder een handje,
voor één is het vrachtje te zwaar!
Daar gaan ze al trekkend en schuivend,
't oud vrouwtje volgt hijgend de stoet.
Bij 't hutje klinkt vriendelijk: "Dank je,
o, jongens, wat was je toch goed!"
en sjouwen en draven maar aan.
En brengen een mutsaard tezamen,
die het oudje niet wegdragen kan.
Met dragen, wel nee, dat behoeft niet;
de slede staat immers al klaar.
Kom, jongens, nu ieder een handje,
voor één is het vrachtje te zwaar!
Daar gaan ze al trekkend en schuivend,
't oud vrouwtje volgt hijgend de stoet.
Bij 't hutje klinkt vriendelijk: "Dank je,
o, jongens, wat was je toch goed!"
3.
Ze mompelen wat en gaan verder.
"Wat dom van ons jongens", zegt Koen,
"ze had op het hout kunnen zitten,
wij hadden dat best kunnen doen."
"Wat dom van ons jongens", zegt Koen,
"ze had op het hout kunnen zitten,
wij hadden dat best kunnen doen."