Herders, herders, herders in het veld,
lang gelopen, moe en uitgeteld,
ogen wrijven, gapen;
ze gingen rustig slapen,
want dit verhaal was nog niet verteld.
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
1.
2.
Hoog boven die herders in de nacht
straalden sterren in hun volle pracht,
zongen engelenkoren;
herders konden 't horen,
nee, zoiets hadden zij niet verwacht.
straalden sterren in hun volle pracht,
zongen engelenkoren;
herders konden 't horen,
nee, zoiets hadden zij niet verwacht.
3.
Alle herders stonden bij elkaar,
waren druk met woord en met gebaar;
wij moeten gaan kijken,
de nachtrust moet maar wijken,
want dit is niet normaal, dit is raar.
waren druk met woord en met gebaar;
wij moeten gaan kijken,
de nachtrust moet maar wijken,
want dit is niet normaal, dit is raar.
4.
Dichtbij, in een kleine, houten stal
vonden zij, je weet het eig'nlijk al;
vonden zij een jongen,
zoals de eng'len zongen,
geboren in die ijskoude stal.
vonden zij, je weet het eig'nlijk al;
vonden zij een jongen,
zoals de eng'len zongen,
geboren in die ijskoude stal.
5.
Dit is geen gewoon kind, dachten zij,
toen zij wachten in een lange rij;
één voor één naar binnen,
waar moet je dan beginnen?
Met iene miene mut, af ben jij!
toen zij wachten in een lange rij;
één voor één naar binnen,
waar moet je dan beginnen?
Met iene miene mut, af ben jij!