De sneeuwjacht over de velden joeg
en snijdend was de kou.
Martinus een rode mantel droeg,
die hem beschermen zou.
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
1.
2.
Ter stadspoort reed Martinus uit,
gezeten op zijn ros.
Hij hoorde toen een zacht geluid;
een stem sprak uit de poort:
gezeten op zijn ros.
Hij hoorde toen een zacht geluid;
een stem sprak uit de poort:
3.
"Ach, heer, de bittere honger knaagt.
Ik sterf hier van de kou.
Van de rijkdom, here, die gij draagt
een weinig schenken zou."
Ik sterf hier van de kou.
Van de rijkdom, here, die gij draagt
een weinig schenken zou."
4.
Martinus toen zijn mantel nam
en met zijn scherpe zwaard
sneed hij de mantel middendoor,
en schonk de bedelaar.
en met zijn scherpe zwaard
sneed hij de mantel middendoor,
en schonk de bedelaar.
5.
Des 's nachts had hij een droomgezicht:
hij zag de bedelaar,
maar stralend nu in 't heldere licht;
God's Zoon verscheen hem daar.
hij zag de bedelaar,
maar stralend nu in 't heldere licht;
God's Zoon verscheen hem daar.