Zeg, moeder, waar is Jan?
Daarginder, daarginder.
Zeg, moeder, waar is Jan?
Daarginder komt hij an.
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
1.
2.
Waar is hij dan geweest?
Bij tante, bij tante.
Waar is hij dan geweest?
Bij tante op het feest.
Bij tante, bij tante.
Waar is hij dan geweest?
Bij tante op het feest.
3.
Wie waren daar nog meer?
Twee dames, twee dames.
Wie waren daar nog meer?
Twee dames en een heer.
Twee dames, twee dames.
Wie waren daar nog meer?
Twee dames en een heer.
4.
Wat heeft hij daar gehad?
Een koekje, een koekje.
Wat heeft hij daar gehad?
Een koekje met een gat.
Een koekje, een koekje.
Wat heeft hij daar gehad?
Een koekje met een gat.
5.
Wat kreeg hij daar nog na?
Een kopje, een kopje.
Wat kreeg hij daar nog na?
Een kopje chocola.
Een kopje, een kopje.
Wat kreeg hij daar nog na?
Een kopje chocola.
6.
Wat kreeg hij daar nog meer?
Een appel, een appel.
Wat kreeg hij daar nog meer?
Een appel en een peer.
Een appel, een appel.
Wat kreeg hij daar nog meer?
Een appel en een peer.