Als je 's avonds zit rondom het vuur,
die rode gloed,
de laatste takken opbrandt in het schemeruur,
dan is het goed.
Volg je 't spel der vonken met je oog,
dan altijd weer,
staat hij daar flonkerend aan de brede hemelboog,
de grote beer.
Wegduikend achter een wolk staat hij daarboven,
kijkt op je neer,
de sterrenbeer.
En dat hij op je past blijf je geloven,
het is altijd weer,
de grote beer, de grote beer.