Wij zagen en kappen van dzjinge, dzjang, dzjing,
wij spitten en hakken van klinge, klang, kling!
Wij binden de touwen om eiken en beuken;
wij trekken, zij breken met dreunend geweld:
de reus is geveld! Tra-la-la-la.
Wij kappen en zagen de takken en dragen
de stukken bijeen en daar komt de wagen
met paarden bespannen en rijdt alle stammen,
het werk is gedaan. Vort, paarden, wij gaan!