Aan de oever van de Rotte,
tussen Delft en Overschie,
zat een kikvors luid te wenen,
met een kleine op haar knie.
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
1.
2.
"Lieve kleine", sprak de moeder,
"zie je daar die ooievaar?
't Is de moord'naar van je vader,
hij vrat 'm op met huid en haar."
"zie je daar die ooievaar?
't Is de moord'naar van je vader,
hij vrat 'm op met huid en haar."
3.
"Wel verdorie", sprak de kleine,
"heeft die rotzak dat gedaan?
Als ik later groot en sterk ben,
zal 'k hem op z'n falie slaan."
"heeft die rotzak dat gedaan?
Als ik later groot en sterk ben,
zal 'k hem op z'n falie slaan."
4.
Nauw'lijks sprak hij deze woorden
of daar kwam de ooievaar,
greep de kleine bij z'n lurven
en stopt'm bij zijn ouwe vaar.
of daar kwam de ooievaar,
greep de kleine bij z'n lurven
en stopt'm bij zijn ouwe vaar.
5.
Toen hij binnen was gekomen,
zag hij daar zijn vader staan.
En toen zijn ze met z’n tweeën
naar de uitgang toegegaan.
zag hij daar zijn vader staan.
En toen zijn ze met z’n tweeën
naar de uitgang toegegaan.
6.
En weer buiten aangekomen,
zagen zij nog altijd groen.
Hieruit blijkt dus dat de zuren
van dat rotbeest het niet doen.
zagen zij nog altijd groen.
Hieruit blijkt dus dat de zuren
van dat rotbeest het niet doen.