Daar vaart een man op zee,
daar vaart een man op de mosselzee.
Van je ram-plan-plan, van je mosselzee.
Daar vaart een man op zee.
Of kies een abonnement:
Of kies een abonnement:
Agenda werkplaats
27 september 2026
Zingen
Koor op school
11 oktober 2026
Instrumentaal
Ukelele spelen
25 oktober 2026
Zingen
Koordag
29 oktober 2026
Instrumentaal
Bamboefluit bouwen
1 november 2026
Dans & beweging
Bewegend zingen met kleuters
8 november 2026
Zingen
Zingen met je klas
1.
2.
Wat doet die man op zee,
wat doet die man op die mosselzee?
Van je ram-plan-plan, van je mosselzee.
Wat doet hij op die zee.
wat doet die man op die mosselzee?
Van je ram-plan-plan, van je mosselzee.
Wat doet hij op die zee.
3.
Hij vangt daar ene vis,
hij vangt daar enen mosselvis.
Van je ram-plan-plan, van je mosselvis.
Hij vangt daar ene vis.
hij vangt daar enen mosselvis.
Van je ram-plan-plan, van je mosselvis.
Hij vangt daar ene vis.
4.
Wat doet hij met die vis,
wat doet hij met die mosselvis?
Van je ram-plan-plan, van je mosselvis.
Wat doet hij met die vis?
wat doet hij met die mosselvis?
Van je ram-plan-plan, van je mosselvis.
Wat doet hij met die vis?
5.
Hij stroopt hem uit zijn vel,
hij stroopt hem uit zijn mosselvel.
Van je ram-plan-plan, van je mosselvel.
Hij stroopt hem uit zijn vel.
hij stroopt hem uit zijn mosselvel.
Van je ram-plan-plan, van je mosselvel.
Hij stroopt hem uit zijn vel.
6.
Wat doet hij met dat vel,
wat doet hij met dat mosselvel?
Van je ram-plan-plan, van je mosselvel.
Wat doet hij met dat vel?
wat doet hij met dat mosselvel?
Van je ram-plan-plan, van je mosselvel.
Wat doet hij met dat vel?
7.
Hij maakt daarvan een beurs,
hij maakt daarvan een mosselbeurs.
Van je ram-plan-plan, van je mosselbeurs.
Hij maakt daarvan een beurs.
hij maakt daarvan een mosselbeurs.
Van je ram-plan-plan, van je mosselbeurs.
Hij maakt daarvan een beurs.
8.
Wat doet hij met die beurs,
wat doet hij met die mosselbeurs?
Van je ram-plan-plan, van je mosselbeurs.
Wat doet hij met die beurs?
wat doet hij met die mosselbeurs?
Van je ram-plan-plan, van je mosselbeurs.
Wat doet hij met die beurs?
9.
Hij steekt daarin zijn geld,
hij steekt daarin zijn mosselgeld.
Van je ram-plan-plan, van je mosselgeld.
Hij steekt daarin zijn geld.
hij steekt daarin zijn mosselgeld.
Van je ram-plan-plan, van je mosselgeld.
Hij steekt daarin zijn geld.
10.
Wat doet hij met dat geld,
Wat doet hij met dat mosselgeld?
Van je ram-plan-plan, van je mosselgeld.
Wat doet hij met dat geld?
Wat doet hij met dat mosselgeld?
Van je ram-plan-plan, van je mosselgeld.
Wat doet hij met dat geld?
11.
Hij koopt daarmee een kind,
hij koopt daarmee een mosselkind.
Van je ram-plan-plan, van je mosselkind.
Hij koopt daarmee een kind.
hij koopt daarmee een mosselkind.
Van je ram-plan-plan, van je mosselkind.
Hij koopt daarmee een kind.
12.
Wat doet hij met dat kind,
wat doet hij met dat mosselkind?
Van je ram-plan-plan, van je mosselkind.
Wat doet hij met dat kind.
wat doet hij met dat mosselkind?
Van je ram-plan-plan, van je mosselkind.
Wat doet hij met dat kind.
13.
Hij stuurt dat kind naar school,
hij stuurt dat kind naar de mosselschool.
Van je ram-plan-plan, van je mosselschool.
Hij stuurt dat kind naar school.
hij stuurt dat kind naar de mosselschool.
Van je ram-plan-plan, van je mosselschool.
Hij stuurt dat kind naar school.
14.
Wat doet dat kind op school,
wat doet dat kind op die mosselschool?
Van je ram-plan-plan, van je mosselschool.
Wat doet dat kind op school?
wat doet dat kind op die mosselschool?
Van je ram-plan-plan, van je mosselschool.
Wat doet dat kind op school?
15.
Het leert het A, B, C,
het leert het A, B, mossel-C.
Van je ram-plan-plan, van je mossel-C.
Het leert het A, B, C.
het leert het A, B, mossel-C.
Van je ram-plan-plan, van je mossel-C.
Het leert het A, B, C.