Jan, ’t is Vastenavond, ik kom niet thuis vanavond.
’t Avond in de maneschijn, als vader en moeder naar bed toe zijn.
’k Heb geen geld om brood te kopen, daarom moet ik met de rommelpot lopen.
Rommelpotterij, foekepotterij, geef mij ’n cent, dan ga ik voorbij!